Après-ski in Rotterdam

De sfeer van wintersport is overgewaaid naar Nederland. Elke stad heeft inmiddels een eigen skihut. ‘Het is elf uur. De eerste broek is al even omlaag geweest.’

De geruite kussentjes verdwijnen van de houten banken, de warme chocomelk van de kaart. Bier uit een pul wordt er nu geschonken, terwijl de dj plaatsneemt in zijn gondel en discolicht de skibar kleurt. Een barman hijst zich in konijnenpak, de feesttoeters staan klaar. Het is acht uur vrijdagavond, tijd voor après-ski in Rotterdam.

Van Heidi’s Skihut in Nijmegen tot Ski-Hut in Heerlen. Elke middelgrote stad heeft wel een café voor après-ski. Maar hier in Rotterdam is het ooit begonnen. Veertien jaar geleden. In de Après Skihut aan het Stadhuisplein, epicentrum van de skihut-branche.

Pal boven de zaak zijgt Chiel Jongejan (46) neer in zijn stoel. Een bureaustoel met vering, stilzitten kan hij niet. Zijn blikken zijn indringend, zijn gebaren groots, zijn handen zijn flink en spreken – plat Rotterdams – doet hij snel. Jongejan, voormalig wieleramateur, heeft ADHD. En niet zo’n beetje ook. Zijn hele leven is hij erop afgerekend. Dat drukke ventje op school, de imbeciel die hele dagen rottigheid uithaalt op zoek naar aandacht. Jongejan ging naar de Lomschool en had meteen een stempel. „Dat heeft veel impact gehad.”

Bevrijding was er op zijn 21ste, toen hij voor eerst op wintersport ging. Westendorf, Oostenrijk. Iedereen in skipak, iedereen gelijk. Hij zag hoe rangen en standen er vervielen en hoe mensen elkaar de skibus in hielpen. Jongejan bezocht Gerry’s Inn, de plaatselijke après-skibar met mensen in visserspak springend op de tafels. „Er heerste vakantiesfeer, Gemütlichkeit. Precies wat ik miste in Nederland, waar ik altijd raar werd aangekeken.”

Zo’n zaak in Nederland beginnen, met die gedachte ging hij weer naar huis.

Het is negen uur. Terwijl de Koopgoot leegstroomt, loert Kristy (21) over het Stadhuisplein, feestplein van Rotterdam. Op zoek naar passanten om hen met een gratis shooter de Skihut in te krijgen. Kristy tuit haar lippen. „Make-upje erop, tietjes omhoog en gáán.” Bingo!

„Mannen, waar gaan we vanavond naartoe?”

„Naar de klote.”

„Skihut?”

„Goed idee.”

Zijn andere nachtcafé’s op het plein nog amper ontwaakt, Kristy weet hoe belangrijk het is de tent nu snel vol krijgen; mensen trekken mensen. Dus schalt er via de voortent van de Skihut ‘Que sera sera’ over het plein en zie je door de ramen heen al mensen dansen op de bar. Personeel.

Het zijn horecatrucs. Op dit tijdstip staat slechts een handvol mensen tegen de muur, maar het lijkt vanaf het plein of in de Après Skihut het feest al is losgebarsten. Lichtval versterkt het effect: gedimd in de voortent, fel op dansvloer achterin. Evenals hoogteverschil: reden waarom het barpersoneel zijn klanten zo snel mogelijk op de tafels probeert te krijgen.

Eigenaar Chiel Jongejan begon zijn horecacarrière als glazenophaler. Hij klom op van kelner tot barkeeper, portier, diskjockey en bedrijfsleider. En toen, páts, burn out. Vijf jaar lang. De gedachte van een flat af te springen, drong zich op. Hij moest als bedrijfsleider netjes praten, maar bij hem komt alles er ongenuanceerd uit. „Dat kon niet als leidinggevende, ik zat mezelf in de weg.”

Er ging een zaak failliet in het centrum van Rotterdam. Jongejan zag kansen en wilde klimmen uit het dal. Hij maakte een businessplan en klopte aan bij de curator. „Maar ik moest iets verzinnen, want de grote jongens uit Rotterdam wilden die zaak, te koop voor een schijntje, ook graag hebben.”

Daar stond hij, eind 1996, in een knalgeel skipak op tafel bij de curator. Met een heel verhaal over Glühwein, polonaises en vakantiesfeer en een zaak waarin iedereen zo gek mocht doen als hij zelf wilde. Na wekenlang bellen, kreeg Jongejan het café toegewezen. „Ik had geluk, de curator hield wel van après-ski.”

Met vrienden zaagde Jongejan uit planken houten banken. Van een weiland vlakbij Eindhoven versleepte hij een gondel – de huidige dj-post. Het plafond schilderde hij blauw, op de muur kwam een vergezicht over de Alpen. „Het moest lijken alsof je met je biertje op de piste staat.” De Après Skihut was geboren. Tachtig vierkante meter Oostenrijk, midden op het Stadhuisplein.

Het is tien uur. „Zijn er nog gezellige mensen hier!?” Bijgestaan door een zanger probeert DJ Do het publiek de dansvloer op te krijgen. „Effe lekker bewegen, dames en heren”. Een flard ‘Sing Hallelujah’ schalt door de speakers. „Er mag gezoend worden, getongd. Alles kan hier, alles mag hier.”

Op ‘24 Uur Verliefd’ van Gerard Joling dansen vier mensen mee. Even later is daar de eerste polonaise, drie man sterk. En dan, op ‘Schudden met die billen’, is het los. De ‘vrouwenplaten’ doen het in de vooravond altijd goed, weet DJ Do. „Mannen staan al sinds de oertijd aan de grond. Maar als de vrouwen eenmaal gaan dansen, dan volgt de rest vanzelf.”

Al in de eerste weken stond de Après Skihut in het weekend vol. Maar doordeweeks taaide het publiek vroegtijdig af. Chiel Jongejan merkte een verschil tussen après-ski in Oostenrijk en Nederland. „Op wintersport hoef je mensen hooguit drie uurtjes te vermaken, daarna gaan ze wat eten. Ik moest mijn publiek tot vijf uur ’s nachts zien binnen te houden.”

Jongejan moest mensen in een „stroomversnelling” zien te krijgen. Hij paste daarop zijn muziekkeuze aan. Niet meer louter Nederlandstalig, maar alle mogelijke stijlen door elkaar. Kort gemixt, want Jongejan zelf is gauw verveeld.

Ondertussen keek hij achterin de zaak of mensen dorst hadden, zijn bevindingen gebarend naar de dj. Het ene moment stond hij met een denkbeeldige microfoon in zijn hand (meezinger), het andere bracht hij zijn handen op de heupen (rock en roll) of pakte hij een denkbeeldige appel die hij opat en wegwierp over de schouder (Spaanstalig). „Zo leerde ik die jongens draaien.”

Personeel nam hij aan op mallotigheid. Mensen zoals hij, die het volhielden acht uur lang te rekenen, bier te tappen, dansen, zingen en springen op de bar. Door de speakers knalde 110 decibel, een goed gesprek was er niet te voeren. „Een goed gesprek, dat ben ik niet. Dat kan ik ook helemaal niet. Ik wil lol hebben. Ik wil mensen om me heen met wie ik kan dansen.”

En zo creëerde Jongejan een omgeving die zich aanpaste aan hem, niet andersom. „Ik kon mijn ei kwijt, want de Skihut is wat ik ben. ADHD.”

Het is elf uur. „Zijn er hier nog Rotterdammurrrs!?” De eerste broek – van een jongen op de bar – is al even omlaag getrokken, de tent zingt uit volle borst ‘Nee je hoeft niet naar huis vannacht’. Alleen een groep meisjes zit stilletjes aan een tafel in de hoek. „Dat zijn Belgen”, weet barman Dennis (22), die al even een praatje met ze heeft gemaakt. „Die kun je beter even met rust laten, dan gaan ze vanzelf los.”

Als medewerker op een benzinestation was Dennis niet op zijn plek. In andere horecazaken evenmin. „Ik had na werktijd nog energie over.” De Après Skihut, waar Dennis al vaker kwam, bood uitkomst. „We zijn als medewerkers een hechte groep. Allemaal ADHD-patiëntjes. Mijn moeder zegt het ook, voor mij is dit de ideale baan.”

Of Chiel Jongejan per ongeluk bier liet weglopen, vroeg de brouwerij. Zoveel werd er dat eerste jaar verkocht. Brouwerijen spoorden ook andere ondernemers aan een skihut te beginnen. Het werd de opmars van de après-ski in Nederland. Even raakte Jongejan daarover geïrriteerd. „Maar ja, eens was er ook de eerste shoarmatent in Nederland. Daar moet je niet over zeiken.”

En na verloop van tijd viel de helft ook weer om. Jongejan begrijpt het wel. „We hangen een paar ski’s aan de muur, dachten eigenaren. Maar wie après-ski verkoopt, verkoopt vakantiesfeer. Zeven dagen per week tot vijf uur in de ochtend. Personeel moet je na twee jaar vervangen, uitgeput van het springen. Dat houden niet alle zaken vol.”

Jongejan breidde uit. Na drie jaar opende hij de Grote Après Skihut in de Delftsestraat, om de rijen voor de deur van de kleine te ontlasten. En er kwam een Après Skihut-cd waarvan er nu anderhalf miljoen zijn verkocht, deel 31 is zojuist verschenen. Drie keer per week organiseert zijn Après Ski Tour ergens in Nederland een feest, het hele jaar door. En in maart vult Go Après Ski voor de vijftiende keer Ahoy, met 13.000 man.

Chiel Jongejan domineert de Nederlandse markt voor après-ski. Al begrijpt ook hij van die cd-verkoop – negen keer goud – helemaal niets. ‘Ik heb een toeter op mijn waterscooter’ van de Gebroeders Ko. „Droog in de huiskamer klinkt dat nergens naar. Maar mensen vroeger erom. Ze denken: als we die cd kopen, halen we feest in huis.”

Jongejan maakte er gretig gebruik van: op elke cd staat wel ergens een verwijzing naar de Après Skihut in Rotterdam. Ook verdwenen schunnige liedjes van de cd, vanwege het verkoopsucces bij kinderen.

Volgende uitdaging: de wintersportgebieden veroveren. Jongejan toog met zijn eerste Skihut-cd naar Oostenrijk om hem te pluggen bij de eigenaar van de London Pub, koning van de après-ski in Kirchberg. „Die gozer brak hem zo doormidden. ‘Wij draaien hier geen cd’s van anderen’, zei hij.”

Niet veel later ging het buitenland morrend overstag. Wintersporters uit Nederland gingen verwachten dat ook hoog in de bergen ‘foute’ Nederlandstalige muziek werd gedraaid – dat was nu eenmaal hun beeld van après-ski. En zo vertrokken dj’s die bij Jongejan waren begonnen, naar Frankrijk, Oostenrijk en Zwitserland. Om daar ‘Kontje’ van Danny de Munk te knallen door de boxen.

Jongejan bleef in Rotterdam. „Ik had wel dertig van die hutten kunnen beginnen. Maar ik had ook angst, vanwege mijn burn out. Angst om het overzicht te verliezen.”

Het is twaalf uur. Over de grond bezaaid met bier, glas en fluorescerende rietjes zoekt een jongen naar zijn bril. Een derde fles Moët Champagne schuifelt begeleid door sterretjes over vele hoofden naar een groep snelle zakentypes achterin. Stilaan verandert het publiek: oudere borrelaars in houthakkershemd maken plaats voor jongens in glimmende jasjes met hun haar strak achterover.

Dit is het moment dat medewerker Kristy haar Flügelpak aantrekt. Met een doos shooters in de hand en een tieneurobiljet tussen haar borsten stort ze zich in de massa. Als Flügelmeisje heeft Kristy het record, sinds ze 25 dozen à 30 Flügels à 2 euro op één avond verkocht - exclusief fooi.

„Ben je lam?”

„Neuh.”

„Nou, dan kan er wel een Flügel bij toch?”

Kassa! Twee euro.

„Wil je een Flügel?”

„Ik heb al een biertje.”

„Dan heb je toch nog één hand over?”

„Kun je wisselen?”

Kassa! Vier euro.

De Nederlandse après-ski werd een miljoenenindustrie. Maar Jongejan besloot zijn risico’s te spreiden. Onder de vlag Sfeerhoreca opende hij in Rotterdam en omgeving zaken – nu acht – met elk een eigen doelgroep. Een voor ouder publiek, een voor technofanaten en een Waterskihut in Hoek van Holland.

Voor al die zaken neemt hij bedrijfsleiders aan die gevoel hebben voor de zaak: een houseliefhebber in zijn housetent, een yup in zijn yuppencafé. Want daar gaat het bij horecaconcepten vaak mis, weet Jongejan. „Natuurlijk is een horecazaak een toneelstuk. Je verkoopt emotie. Maar dat moet je wel met overtuiging doen. Zelf zou ik gek worden van alleen maar house.” Geef Jongejan liever ‘Hij was maar een clown’ van Vader Abraham – zijn lijflied.

Sfeerhoreca telt inmiddels 330 werknemers, een heuse onderneming. Mét doorgroeimogelijkheden. Want wie als Flügelmeisje in de Skihut begint, kan doorgroeien tot bedrijfsleider in een van zijn andere café’s. Het maakt dat sommigen al veertien jaar voor Jongejan werken.

Al heeft hij er in die jaren ook zeker 330 ontslagen. Want Jongejan is ADHD’er gebleven. Op zijn eigen terras wil hij binnen één minuut geholpen worden. Nee, binnen 30 seconden. „Ik weet ook wel dat klanten drie minuten wachttijd prima vinden. Maar ach, het houdt mijn personeel scherp.”

Het is één uur. Op de dansvloer zijn badmutsen uitgedeeld, het publiek gebruikt een opblaaspalmboom nu afwisselend als penis danwel zangmicrofoon. Hoe gek het hier nog worden kan? Vaste klant René toont een foto op zijn telefoon. Een jongen, halfnaakt. Lachend staat hij op de bar, poserend als een hond. Hij wordt voortgetrokken door een meisje, met om zijn nek zijn eigen riem.