Wil de tweede Wagner opstaan?

Alain Badiou: Five Lessons on Wagner. With an Afterword by Slavoj Zizek. Vert. Susan Spitzer. Verso, 239 blz. € 25,-

Five Lessons on Wagner van de Franse filosoof Alain Badiou is onlangs meteen in het Engels verschenen. Het is gebaseerd op de aantekeningen van lezingen, gemaakt door de filosoof, die door vertaalster Susan Spitzer zijn omgewerkt tot een boek. Badiou heeft een grote ambitie: met dit boek wil hij de modernistische kritiek op Wagner weerleggen, zonder daarbij afstand te nemen van de kunstopvattingen van dat modernisme; een gordiaanse knoop, die hij nog weet te ontwarren ook. Een hoogstandje.

Die modernistische esthetiek – uitgewerkt door Adorno – behelst dat de moderne kunst in het teken moet staan van soberheid en fragmentatie, en zich niet te buiten mag gaan aan de valse beloften waar het werk van Wagner juist bol van lijkt te staan. Zonder overdrijving zou je de afgelopen eeuw kunnen typeren als die van het verzet tegen Wagners erfenis, met Nietzsche als belangrijkste voorloper. De grandioze utopische beloften die spreken uit Wagners pseudoreligieuze kunstopvatting, zijn immers uitgelopen op een echec in de 20ste eeuw. Kunst die ‘na Auschwitz’ authentiek wil zijn zou in die optiek louter het lijden en de ondergang van de utopie moeten verbeelden.

Hoe redt Badiou zich daar uit? Allereerst door een scherp onderscheid te maken tussen wat Wagner over zijn werk heeft gezegd en geschreven – en de daadwerkelijke betekenis ervan. Hij constateert dat veel Wagnerkritiek is gebaseerd op zijn programma, maar veel minder op de kritische ondervraging van het werk zelf.

Wagners zeer 19de-eeuwse hang naar monumentaliteit en synthese vertegenwoordigt voor Badiou slechts een deel van zijn artistieke wezen, en niet het meest interessante aspect, zeker niet het onderdeel dat voor de huidige tijd productief valt te maken. Wagners fameuze ‘eindeloze melodie’ verwerpt hij. Maar daaronder gaat volgens hem de miniaturist Wagner schuil. Badiou wijst met nadruk op de ‘onderliggende discontinuïteit’ van Wagners muziekdrama’s, die bestaan uit een gecompliceerd spel van ‘kleine cellen’.

Naast de ‘monumentalisering’ van Wagner is er ook een ‘theatralisering’ mogelijk, een benadering die de ongelijksoortige, tegenstrijdige elementen in Wagners wereld blootlegt. Badiou is niet geïnteresseerd in de Wagner van de mystieke Liebestod; hij wijst erop dat Tristan en Isolde na elkaar en in eenzaamheid sterven – niet samen. Voor hem is Wagner juist de componist van het gescheiden zijn, van het vruchteloze wachten, van de rusteloosheid en, vooral, van de innerlijke verscheurdheid. Hij typeert hem als ‘een geweldig musicus van het lijden’.

Niet de op zuiverheid en vergeestelijking gerichte handeling van de opera’s is van belang, maar de sensualiteit en de zinnelijkheid van de muziek. Badiou: ‘Wagner was de eerste grote heiden van de muziek, de eerste die de muziek onpuur maakte, die muziek ontdeed van zijn natuurlijke puurheid.’ Hij wijst verder op de volstrekt verschillende klankkleur en de uiteenlopende strekking van Wagners muziekdrama’s. Die verscheidenheid ondergraaft op zichzelf al de ‘totaliserende’ ambities van zijn programmatische geschriften. Volgens Badiou kan na zijn grondige afstofwerk de ‘tweede Wagner’ opstaan, die niet langer hoeft te rusten in ‘het grote mausoleum op de begraafplaats van de onmogelijke grandeur.’ Dat tweede leven zal in het teken moeten staan van wat hij noemt ‘wagneriaanse fragmentatie’; een nieuwe verhouding tussen continuïteit en discontinuïteit.

Volgens de filosoof staan we aan de vooravond van wat hij noemt de 'wedergeboorte van de hoge kunst' – een kunst die wél weer een transcendentale belofte uitdraagt – en kan de door hem in het leven geroepen ‘tweede Wagner’ daar een heilzame rol in spelen. Maar als deze grote renaissance onverhoopt op zich laat wachten, zullen we in elk geval binnen niet al te lange tijd op Badiou geïnspireerde ensceneringen van Wagner kunnen beleven. Dat kan niet uitblijven.