Wij kunnen hen nog steeds verstaan

Bij poëzie doen genres, stijlen, genres en windrichtingen niet ter zake, ondervindt Guus Middag bij het lezen van twee bloemlezingen vol tijdloze pracht en verrassing.

Stilleven van Juan Sánchez Cotán (1560-1627). Museo del Prado, Madrid

De tuin van de Franse poëzie. Een canon in 100 gedichten. Vert. Paul Claes. Athenaeum-Polak & Van Gennep. 440 blz., € 32,50.

De dichter is een kleine God. De 150 mooiste gedichten uit het Spaans. Vert. Barber van de Pol en Maarten Steenmeijer. Athenaeum-Polak & Van Gennep. 328 blz., € 29,95.

Ik heb een heel mooi boek gekocht. Een tijdje geleden, tweedehands, op een boekenmarkt, voor maar 1 euro. Ik had het nog nooit eerder gezien, en ik had er nog nooit iemand over gehoord: mooi omslag, mooi lettertype, mooie bladspiegel, niet te dik, niet te dun, 176 bladzijden. Ligt lekker in de hand. Het is een bloemlezing, Mensen als wij. Vertaalde middeleeuwse poëzie, in 1967 bijeengebracht door Victor van Vriesland. Het klinkt nog niet erg opwindend, maar dat is het in de praktijk wel. Er staan om te beginnen alleen maar goede gedichten in. Niet alleen uit de Franse, Spaanse, Italiaanse, Engelse en Duitse middeleeuwse poëzie, maar – dat is het verrassende – ook uit de Arabische, Perzische, Chinese, Griekse en Latijnse poëzie uit die tijd.

Voor het gevoel ver uiteenliggende culturen worden hier opeens buren. Ik had er nooit bij stil gestaan, maar Omar Khayyam en Walther von der Vogelweide zijn tijdgenoten. Li Tai Po en Toe Foe zijn familie van Christine de Pisan en Charles d’Orléans. Er is niet zo veel verschil tussen Arabische en Spaanse middeleeuwse dichters. Enzovoort.

Door die geografische uitbreiding kwam, voor mijn gevoel althans, alles ineens in een heel nieuw licht te staan. Het werd er veel levendiger door. Ik las deze gedichten niet meer als historische, maar bijna als hedendaagse letterkunde. Ik blader naar links, ik blader naar rechts, tijd en taal doen er niet meer toe, en ik lees bijvoorbeeld dit ‘Minneliedje’: ‘Jij bent mijn, / ik ben dijn: / daar kan je van verzekerd zijn; / jij bent gevangen / in ’t hart van mij: / het sleuteltje is zoek geraakt; / dat heeft jou voor altijd van mij gemaakt.’ Het zou gisteren geschreven en gezongen kunnen zijn, dit vroegduitse liefdesliedje, van een meisje vermoedelijk, met die mooie regel over het verloren sleuteltje (‘verlorn ist daz slüzzelîn’).

Al die middeleeuwse dichters en dichteressen, waar ze ook vandaan komen, zijn eigenlijk ‘mensen als wij’. Dat was mijn ervaring, en zo was ik geneigd de titel van de bloemlezing te lezen. Maar het werkt ook andersom. De middeleeuwse dichter doet net zo hard zijn best om bij ons te horen. De titel is afkomstig uit de lugubere ‘Ballade van de gehangenen’ van François Villon. Daarin zijn vijf, zes vrienden aan het woord, in de eerste persoon meervoud. Ze zijn opgehangen. Uit hun relaas valt op te maken hoe dat gegaan is, en hoe ze er nu bij hangen, met alle bijbehorende details. Rottend vlees dat na verloop van tijd van de botten glijdt. Raven die ogen uit komen pikken. En nu hangen ze daar maar heen en weer te zwaaien, in de wind, ‘lekkend als rotte druivetrossen’.

De vertaling is van J.W.F. Werumeus Buning. Wat hebben deze gehangenen, die zelf zeggen dat ze terecht de doodstraf hebben gekregen, nog te hopen? Ze kunnen niets meer doen dan zich te richten tot ‘menschen als wij, die na ons nog zult leven’ – en vragen om begrip, medelijden en steun. Zij vragen ons, ‘menschen als wij’, te bidden voor hen, en God te vragen om genade, ‘dat hij allen zal verlossen’ en zo deze gehangenen zal vrijspreken van ‘de helsche takkebossen’.

Er schuilt een enorme dramatische kracht in deze oproep aan het nageslacht – zeker als we bedenken dat Villon zijn ballade vermoedelijk schreef toen hij zelf ter dood was veroordeeld, en zich op zijn naderende einde moest gaan voorbereiden. Hier, in deze ballade, is zijn stem bewaard gebleven – en hij spreekt ons, vele eeuwen later, nog steeds rechtstreeks aan, en wij kunnen hem nog steeds verstaan, al dan niet via de omweg van een vertaling.

Deze ervaring is wat wel ‘de historische

Vervolg op pagina 2

Een zee om in te verdrinken

sensatie’ wordt genoemd: het verleden komt voor je ogen tot leven. Zij zijn mensen als wij. Dat gebeurt ook heel vaak in De tuin van de Franse poëzie, een bloemlezing van de 100 beste gedichten uit de Franse poëzie vanaf ongeveer 880 tot ongeveer 1950, samengesteld en vertaald door Paul Claes. Het gebeurt om te beginnen weer in de gehangenenballade van Villon, want die is ook door Claes opgenomen, in een nieuwe vertaling.

Die is natuurlijk moderner dan die van Werumeus Buning. Het begin, de oproep aan ‘Menschen als wij, die na ons nog zult leven’, luidt nu: ‘O mensenbroeders die na ons bestaan.’ De smeekbede, tot vier keer toe herhaald, ‘Maar bid God dat hij allen zal verlossen!’ klinkt hier nog steeds even wanhopig: ‘Maar bid dat God ons allen mag vergeven!’ De vertaling van Claes is soepeler, minder gewrocht, iets trouwer aan de bron, maar daardoor ook wat vlakker dan die van Werumeus Buning. Ik moet toegeven dat ik diens ‘helsche takkebossen’ en het beeld van de ‘rotte druivetrossen’ wel mis.

Aan alle honderd gedichten in deze canon voegt Claes een korte biografie van de dichter toe. Ook, bij elke dichter een kort citaat, zelf gekozen, dat hij kenmerkend acht voor de dichter. Bij Villon is dat: ‘Je congnois tout, fors que moi mesmes – Ik ken alles, maar niet mezelve.’ Bij elk gedicht geeft hij een kort commentaar, over de achtergronden en de interpretatie, en ook over de nawerking van het gedicht, of de dichter, in andere kunsten en talen, en hij noemt alle andere vertalingen.

Er sluipt bij Claes dan wel gauw iets schoolmeesterachtigs in. Hij heeft een voorkeur voor jaartallen en andere overhoorbare informatie. Van bijna alle dichters moeten we kennelijk weten wat hun vader deed voor de kost. ‘De symbolistische dichter Albert Samain was de zoon van een wijnhandelaar.’ In de biografieën en commentaren dringen soms nietszeggende naslagwerkzinnen door. ‘Toulet schrijft neoklassieke verzen vol ingehouden melancholie.’

Bij Mallarmé (‘de zoon van een ambtenaar’) waagt hij zich aan deze veronderstelling: ‘De vroege dood van zijn moeder en zuster verklaart wellicht zijn obsessie met de dood en het niets.’ Wellicht ook niet. En dan is er soms de al te opdringerige uitleg: ‘de bloedvlek is de ondergaande zon, de melkdruppel de maan, de reukflesjes en de geurige ster zijn bloemen. [...] De bergtocht symboliseert het streven naar een onbereikbaar, mystiek ideaal.’

Ik kan nu wel, even schoolmeesterachtig, wat mindere passages aanwijzen, maar daar staat heel veel moois en nuttigs tegenover. Hoeveel van die Franse dichters kende ik eigenlijk? Ik noem maar eens: Honorat Laugier de Porchères, Felix Arvers, Saint-Pol- Roux, Paul Fort en Catherine Pozzi. Nooit van gehoord. Ik vind het helemaal niet erg om te lezen dat Louïze Labé ‘de mooie touwslagersvrouw’ werd genoemd. Je hebt er niets aan, maar het is toch aardig om te weten dat Saint-Amant (1594-1661) een van de eerste leden van de Académie Française (1643) was en als opdracht kreeg de burleske termen in de Dictionnairede l’Académie te definiëren. (‘Hij stierf in armoe.’) Het is ook helemaal niet erg om hier allerlei grote namen tegen te komen (Baudelaire, Larbaud, Nerval, Ponge, Prévert, Rimbaud, Valéry, Verlaine, Willem IX van Aquitanië) en nog weer eens hun werk te lezen – in een nieuwe vertaling.

Er valt veel van dit boek te leren. Wist u dat het tienlettergrepige ‘Onder de maan schuift de lange rivier’ uit Paul van Ostaijens ‘Melopee’ een imitatie was van de beginregel van ‘Le Pont Mirabeau’ van Apollinaire? Er staat zoveel in, dat er gemakkelijk een paar quiz-avonden mee gevuld kunnen worden. Welke dichter schitterde met een kersrood vest op de première van Victor Hugo’s Hernani? (Théophile Gautier.)

Vooral door dit soort extra informatie is De tuin van de Franse poëzie een boek om eindeloos in te lezen en te bladeren. Een mer à boire, een zee om in te verdrinken. Alles staat erin: van middeleeuwse liederen tot hedendaagse protestzangen, van symbolisme tot surrealisme, van onzinverzen tot dinggedichten. En het is erg knap dat Claes zich in al die stijlen en genres staande weet te houden – en dat hij allerlei ingewikkelde vertaalproblemen niet uit de weg is gegaan.

Er zitten verrassingen bij: een prachtig middeleeuws hunkergedicht van de Comtesse de Dia, de ‘Lof van het Mooie Tietje’ van Clément Marot, een lofzang op koffie van Delille, een sfeervol portret van hoe een Romeinse dame een bad neemt (Alfred de Vigny) en ‘De deserteur’ van Boris Vian dat met zijn onderwerp en zijn beginregel (‘Mijnheer de President’) heel erg doet denken aan het latere ‘Mijnheer de President’ van Boudewijn de Groot.

Alles wat ik hiervoor heb gezegd geldt in grote lijnen ook voor De dichter is een kleine God, een vergelijkbaar kloek boek, waarin de vertalers Barber van de Pol en Maarten Steenmeijer de in hun ogen 150 mooiste gedichten uit het Spaans hebben opgenomen – maar dan zonder biografische informatie of commentaar. Ook hier wordt een ruime periode bestreken, van zo’n zes eeuwen, van middeleeuwse ballade tot hedendaags zoekend praatvers, en ook hier wisselen bekende (Cervantes, San Juan de la Cruz, Lorca, Borges, Neruda, Alberti, Paz) en onbekende namen elkaar af. Ook hier heeft generaliseren weinig zin – zeker niet omdat Spaanse en Latijns-Amerikaanse dichters uit allerlei landen en tijden hier door elkaar staan.

Maar als de grenzen zo ruim genomen worden, heeft een bloemlezing uit één taal niet zo heel veel nut meer. Overal zijn mensen als wij. Een Spaanse barokdichter lijkt veel meer op zijn Franse barokcollega dan op zijn Spaanse collega van een eeuw later. En omgekeerd kan een 20ste-eeuwse Argentijnse dichteres over vele eeuwen en een taalgrens heen een echo geven op de gehangenenballade van Francois Villon.

Aan het woord is Alfonsina Storni (1892-1938), in een ‘Grafschrift voor mezelf’. Ook zij richt zich alvast tot het nageslacht. De vorm is strak. En zo wil zij hier ook graag overkomen: zij spreekt vanuit het graf, in een strakke monoloog, zij houdt zich stil, haar kan nu niets meer overkomen. ‘Hier rust mijn lichaam en in deze groeve / kan niets mij, ongevoelig, lui, bedroeven.’ En: ‘Ik slaap mijn eeuwige slaap en houd mij stom, / word ik geroepen, draai ik mij niet om.’

Zou het werkelijk zo prettig en overzichtelijk zijn onder die steen? Zoveel dodelijke kalmte is niet vol te houden. Even later meldt zich dan ook een tweede stem. Een vogel vliegt over het graf en begint te spreken. Hij houdt haar, in dezelfde strakke vorm, een heel ander leven voor – met een nieuwe lente, strand, zee, liefde, kinderen, matrozen en zingende meisjes. Storni wekt in het eerste deel van haar grafschrift de indruk dat het voor allemaal niet meer hoefde, maar in het tweede deel laat zij deze tegenstem het tegenovergestelde zeggen: ‘De vrouw die in deze aarde slaapt en woont / en die het leven in haar grafschrift hoont, // schreef in haar groeve een laatste leugen neer – / want vrouw blijft vrouw – als hoefde zij niet meer.’

Wat een verwarrend, en verbijsterend grafschrift. Nu zou je wel iets meer over de dichteres willen weten. Als Paul Claes dit gedicht had vertaald zou hij in een kort commentaar vast iets over Alfonsina Storni’s dood hebben gezegd. Volgens de verhalen liep ze op 25 oktober 1938 bij Mar del Plata langzaam de zee in – en verdronk. Claes, altijd precies, zou hebben toegevoegd dat ze volgens haar biografen niet de zee in liep, maar sprong, vanaf een golfbreker.