Welkom in mijn waanzin

Max Blecher: Avonturen in de alledaagse onwerkelijkheid. Uit het Roemeens vertaald en van een nawoord voorzien door Jan H. Mysjkin. L.J. Veen, 157 blz. €19,95

Eugène Ionesco stond in Roemenië bekend om zijn vernietigende kritieken. Maar toen in 1936 Max Blechers Avonturen in de alledaagse onwerkelijkheid verscheen, was hij meteen enthousiast. Toch bleef deze roman lange tijd vrijwel onbekend of zelfs verboden, eerst omdat de schrijver joods was en later, tijdens de communistische dictatuur, omdat Blechers experimentele schrijfwijze haaks stond op de heersende cultuuropvattingen. Pas na de politieke ommekeer werd Blecher herontdekt en overal vertaald. Inmiddels wordt hij beschouwd als een van de grote Oost- Europese modernisten.

Max Blecher (1909-1938) groeide op in het stadje Botosani in het uiterste noordoosten van Roemenië, waar zijn vader een keramiekfabriek bezat. In 1927 trok hij naar Parijs om medicijnen te studeren, maar al snel werd hij getroffen door een ongeneeslijke ruggemergtbc. Zijn laatste levensjaren bracht hij liggend en schrijvend door in sanatoria. Hij was zijn schrijversloopbaan begonnen met gedichten en essays, in 1937 publiceerde hij nog een autobiografische roman die in het Duits Vernarbte Herzen (‘Gelittekende harten’) heet en in zijn nalatenschap werd een bundel met dagboekfragmenten gevonden.

Zijn bekendste roman Avonturen in de alledaagse onwerkelijkheid ontbeert een duidelijke handeling. We volgen een anonieme jongeling die in de ik-vorm vertelt over zijn zwerftochten door een niet met name genoemde Roemeense stad. Nu eens treffen we hem aan op de markt, in de bioscoop of het theater, dan weer op de begrafenis van zijn opa of bij een wassenbeeldenspel. Hij vertelt over seksuele avonturen met een verkoopster in een naaimachinewinkel en over een aanbeden vrouw, Edda, die later ziek wordt en uiteindelijk sterft. Maar de feitelijke inhoud speelt zich af in het hoofd van de eenzame verteller. Al in de tweede zin is sprake van zijn ‘gebrek aan identiteit’, hij voelt zich soms ‘een compleet vreemde persoon’. Hij is overgevoelig, angstig en overtuigd van de zinloosheid: ‘De wereld bood een banale aanblik, waarin ik per abuis terecht was gekomen.’ Sympathie voelt hij slechts voor andere buitenstaanders: de zottin van de stad en een onthechte losbol met de naam Paul. Maar ook de schijnwereld van variététheaters, wassenbeeldenspelen en bioscopen trekt hem magisch aan. ‘Waaruit bestond tenslotte de ernst van de wereld’.

Ten dele mag je Avonturen in de alledaagse onwerkelijkheid een (late) fin-de- siècleroman noemen. Met zijn pessimisme en ondergangsvisioenen doet Blecher aan Georg Trakl en vooral Rainer Maria Rilke denken, wiens dagboekroman Die Aufzeichnungen des Malte Laurids Brigge (1910) enkele opvallende parallellen vertoont. Maar je kunt Blecher net zo goed beschouwen als een voorloper van het existentialisme à la Jean-Paul Sartres La nausée (1938), zoals vertaler Jan M. Mysjkin doet in zijn voortreffelijke nawoord. Mysjkin wijst ook op overeenkomsten met de surrealisten en andere Franse avantgarde-kunstenaars, die de Roemeen goed kende getuige een brief aan een collega: ‘Het is mijn schrijfideaal om de hoogspanning die de schilderijen van Dalí uitstralen in literatuur om te zetten. Dat is wat ik wil bereiken – die koude, volkomen leesbare en wezenlijke waanzin.’

Daarin is Blecher zeker geslaagd; sommige passages maken een groteske of surrealistische indruk. Droom en realiteit vervagen, we bevinden ons dan in de ‘alledaagse onwerkelijkheid’. Bijvoorbeeld als de verteller schijndialogen voert of hallucineert en zich met een boom of een hond vergelijkt. Niet overal weet hij te ontsnappen aan gekunsteldheid; af en toe maakt de verteller een hooghartige indruk. Daar staat tegenover dat Blecher een meester is in het oproepen van weemoedige en erotische sfeer – Nobelprijswinnares Herta Müller spreekt in haar enthousiaste nawoord bij de Duitse editie van de ‘erotiek van de waarneming’.

Met zijn sterk geconcentreerde en beeldende proza stelt deze roman hoge eisen aan de lezer. Sommige fragmenten doen regelrecht aan prozagedichten denken, zoals de schitterende opening van het laatste hoofdstuk – dat men ook als samenvatting of poëtica kan lezen. Heel fraai is ook de beschrijving van een winterse morgen op de vleesmarkt: ‘Het verse vlees glansde fluwelig als de bloembladen van een monsterachtig uitvergrote roos. De dageraad kleurde staalblauw, de koude morgen weerklonk met de diepe stem van een orgel.’