Wat 'Dallas' verbindt met de 'Faust' van Goethe

Maakbaarheid is op dit moment een terugkerend thema op het Nederlandse toneel. Het speelt bijvoorbeeld een beslissende rol in het nieuwste stuk Dallas van het Amsterdamse gezelschap Nieuw West, geschreven door Rob de Graaf. De acteurs reizen in deze theatrale roadmovie door Amerika, het gedroomde en „gemaakte” land bij uitstek. In een mooi beeld zegt acteur Marien Jongewaard dat ze „het Vrijheidsbeeld de rug toekeren en het land gaan doorkruisen waar alles kan”.

In Dallas roept Nieuw West met taal en spel een land op „waar gewone mensen zich thuis voelen”. Dat Dallas ook de stad is waar John F. Kennedy de dood vond, geeft aan de voorstelling een noodlottige, dramatische wending. De utopie is vervlogen.

Ook Goethes Faust wil de wereld ‘herscheppen’, zo blijkt in de uitvoering Faust I&II die het Nationale Toneel deze maand opvoert. Faust speurt als een wetenschapper naar de oerknal van het leven. Dat hij uiteindelijk bij de duivel belandt, is niet eens zo verwonderlijk. De ontdekking van het atoom hielp de mensheid de innigste samenhang van het universum te achterhalen. Maar daarmee kwam de mogelijkheid tot totale vernietiging ook in het verschiet.

Goethes Faust is een van de zeldzame teksten uit de wereldliteratuur waarin wetenschap en kunst samenkomen. Op een bijeenkomst in Den Haag gewijd aan de Faust-tragedie afgelopen zondag zei wetenschapper en natuurkundige Robbert Dijkgraaf: „Wij staan op het strand en kijken naar de oneindige wereld die zich voor ons uitstrekt. We willen haar begrijpen, maar de wereld zit er niet op te wachten door ons begrepen te worden.”

Interviewer en Faust-kenner Pieter Steinz ontlokte aan Dijkgraaf interessante uitspraken over de zoektocht van schrijvers en wetenschappers naar de ‘kern van het universum’. Dijkgraaf: „De alchemist Faust wil alles over de wereld weten. Maar zijn boekenkennis schiet tekort. Daarom vraagt hij de duivel hem te vertellen wat die Welt im Innersten zusammenhält.” Uit deze regel blijkt de vooruitziende blik van Goethe, aldus Dijkgraaf. „Goethe begreep dat het universum uiteindelijk tot het kleinste deeltje, het Innersten, is te herleiden.”

Dijkgraaf ziet in het onderzoek van de historische Johannes Faust, een Duitse alchemist en sterrenwichelaar op het breukvlak van Middeleeuwen en Renaissance, de voorbode van de verrichtingen van latere atoomgeleerden als Niels Bohr, Alfred Einstein en Robert Oppenheimer. Al deze geleerden zijn op zoek naar de „kern” van de schepping, zelfs met fatale gevolgen. Na de eerste geslaagde proeven met de atoombom zag Oppenheimer in dat vanaf dat moment de mens de destroyer is van de schepping.

Steinz memoreerde dat de grote figuren uit de westerse cultuurgeschiedenis, onder wie Faust en Prometheus, „altijd iets van Gods scheppingsvermogen willen overnemen”. Volgens Dijkgraaf heeft God ergens in het allerdiepst van de schepping, in de kleinste van de allerkleinste kern, „de sleutel tot de schepping gelegd”.

Daarvan was Faust ook al overtuigd.