Vermalen tussen Hitler en Stalin

West-Europa weet te weinig van de gruwelijke na-oorlogse geschiedenis van het voormalige Oostblok. Toch moet men het verhaal van deze ‘bloedlanden’ kennen, vindt Laura Starink na lezing van de gelijknamige studie.

Timothy Snyder: Bloodlands. Europe between Hitler and Stalin. The Bodley Head, 500 blz. € 35,75.

Midden in Europa ligt een land dat groter is dan Frankrijk, met 45 miljoen inwoners die een Slavische taal spreken en een hoofdstad die ooit de hoofdstad was van het hele Russische rijk. Met groene heuvels en dalen, een poëtisch klinkende rivier (de Dnjepr), zware industrie en mijnbouw en een stuk Zwarte-Zeekust aan de Krim. Van Oekraïne weten de meeste mensen niet meer dan een handvol negatieve clichés: Oekraïners zijn antisemieten en oorlogsmisdadigers (zie het proces tegen Demjanjuk), de elite heeft zich wederrechtelijk verrijkt (zie Joelia Timosjenko, de gasprinses met de blonde vlechten). De in het Westen bejubelde Oranjerevolutie is op een mislukking uitgelopen, de vergiftigde held en ex-president Joesjtsjenko is afgeserveerd en het land is een potentiële bedreiging voor onze gastoevoer omdat het koppig weigert zijn pijpleidingen aan grote broer Rusland af te staan. Een naar land, eigenlijk.

Gelukkig is er nu Bloodlands, voor zover mij bekend het eerste boek dat de Europese landen die in de vorige eeuw vermalen zijn tussen Hitler en Stalin, de centrale plaats geeft die ze toekomt. De Amerikaanse historicus Timothy Snyder definieert ‘bloodlands’ als ‘de gebieden die ergens tussen 1933 en 1945 onderworpen zijn geweest aan zowel de Duitse als de Sovjet-politiemacht en de daarmee verband houdende massamoordpraktijken.’ Dat zijn de Baltische landen, Wit-Rusland, Polen en Oekraïne, die bezet zijn door de Russen, de Duitsers en opnieuw de Russen. Ze werden in 1939 na het Molotov-Ribbentropverdrag tussen Duitsland en de Sovjet- Unie verdeeld. Voor hen niet één vijand en één bezetter, maar twee. Dat betekent een onmogelijke keuze tussen twee kwaden, die hen na de oorlog opzadelde met een slecht imago in Oost én West. Maar vooral: dit gebied was het decor voor de horror van de Holocaust.

Veertien miljoen mensen uit heel Europa, berekent Snyder, verloren tussen 1933 en 1945 in de bloedlanden het leven door een opzettelijke politiek van massamoord van twee kanten. Vier miljoen komen voor verantwoordelijkheid van Stalin, tien miljoen van Hitler, onder wie zes miljoen joden en 3,5 miljoen krijgsgevangenen. Dit is exclusief de ‘gewone’ slachtoffers die vielen op het slagveld van de oorlog, onder soldaten en burgerbevolking. Na 1945 verdween dit gebied achter het IJzeren Gordijn en zonk het voor het Westen in de vergetelheid. De Sovjet-Unie deed er sindsdien alles aan de werkelijke aard van de slachtpartijen te verdoezelen. De Sovjet-terreur tegen de eigen bevolking werd doodgezwegen. Maar ook de erfenis van de oorlog werd ideologisch aangepast. Verheimelijkt werd bijvoorbeeld dat de joden het meest onder het naziregime geleden hadden.

De Grote Vaderlandse Oorlog, zoals de Russen WO II noemen, moest een verhaal zijn van Russisch leed en Russische triomfen. Sterker nog: aan het antisemitisme kwam in de Sovjet-Unie na de Holocaust geen einde. Vlak voor zijn dood orkestreerde Stalin nog éénmaal een antisemitische campagne. Joodse artsen, die hem naar het leven zouden staan, werden gearresteerd. Gelukkig overleed de dictator vóór het zogenaamde ‘Dokterscomplot’ tot executies kon leiden. Ook in de rest van Oost-Europa bleef antisemitisme virulent. Vergangenheitsbewältigung kwam in Oost-Europa pas na de val van de Muur, in 1989, heel aarzelend op gang.

Bloodlands is een boek vol gruwelijke getallen. Maar de waarde van het boek ligt in de vergelijkingen die Snyder maakt tussen de regimes van Stalin en Hitler. Zo hadden beiden een agressieve landbouwpolitiek, die uithongering gebruikte als machtsmiddel. Stalin verordonneerde begin jaren dertig de modernisering van de Sovjet-Unie door middel van de collectivisering van de landbouw en requisitie van alle levensmiddelen. Dat leidde in 1933 tot een geprovoceerde hongersnood die 3,3 miljoen inwoners van Oekraïne het leven kostte.

Ook Hitler gebruikte voedsel als wapen. Zijn landbouwpolitiek was gericht op de kolonisering van Polen (het General Gouvernement) en de Sovjet-Unie, voornamelijk Oekraïne, die moesten dienen als graanschuur voor Duitsland en Lebensraum voor Duitse boeren. Duitse soldaten en burgers moesten worden gevoed met levensmiddelen die de Sovjet-burgers afhandig werden gemaakt. Hitler had daarvoor een Hongerplan in gedachten, dat ontelbare Poolse en Oekraïense Untermenschen het leven zou kosten.

‘Het gedrag van Hitlers beul Göring in september 1941 leek verbluffend veel op het gedrag van Stalins beul Kaganovitsj in december 1932. Beide mannen vaardigden instructies uit voor een voedselpolitiek die miljoenen mensen het leven zou kosten’, aldus Snyder. Beide tirannen verwierpen de Verlichting en stonden op het darwinistische standpunt dat vooruitgang mogelijk was, maar alleen, zo schrijft Snyder, als resultaat van een gewelddadige strijd tussen rassen of klassen. Beiden streefden naar een groot rijk met ‘imperiale autarkie’. In de jaren dertig was het Stalin-regime, dat beschikte over een geolied partijapparaat en een geheime dienst, bloediger dan dat van Hitler, waar de SS nog in de kinderschoenen stond. In de Kristallnacht in november 1938 werden in Duitsland een paar honderd joden gedood, een week later werd in de Sovjet-Unie de Grote Terreur beëindigd, die ‘ongeveer duizend keer meer mensen op etnische grondslag had gedood dan nazi-Duitsland.’

Na het uitbreken van de oorlog overtrof Hitler zijn voormalige bondgenoot ruimschoots. Hitler wilde Polen en de Sovjet-Unie verslaan, uithongeren en met Duitsers bevolken. Toen dat mislukte zette hij alles op de Endlösung, de vernietiging van de joden, die oorspronkelijk pas plaats zou vinden nadat de oorlog gewonnen was. Het is bizar, schrijft Snyder, dat Hitler door de bezetting van Polen en Oekraïne het aantal joden in zijn rijk verveelvoudigde. Vervolgens werd een waanzinsmachinerie op gang gebracht om diezelfde joden uit te roeien. Massa-executies in het oosten van de bloodlands werden later vervangen door steeds geïndustrialiseerdere vormen van vergassing.

Ook de Duitse en Russische houding ten opzichte van krijgsgevangenen vertoont overeenkomsten. Zelfs de terminologie was verwant: de Russen hadden hun Goelag, de Duitsers hun Dulag (Durchgangslager), Stalag (Stammlager) en Oflag (Offizierslager). Hitler noch Stalin verdroeg het idee dat hun soldaten in handen zouden vallen van de vijand. Conservatief geschat, zegt Snyder, hebben de Duitsers een half miljoen krijgsgevangenen geëxecuteerd en er nog eens 2,6 miljoen laten creperen door uithongering of mishandeling. De Sovjetsoldaten die het krijgsgevangenenkamp overleefden en na de oorlog naar de Sovjet-Unie terugkeerden, werden vervolgens door Stalin als landverraders naar de Goelag gestuurd.

Eén miljoen van die krijgsgevangenen, voornamelijk uit Oost-Europa, zijn door de Duitsers gerekruteerd voor beulswerk. ‘Zo werden mensen die de ene massamoord van de Duitsers hadden overleefd handlangers in een andere massamoord, toen een oorlog die bedoeld was om de Sovjet-Unie te vernietigen een oorlog werd om de joden te vermoorden.’ Sommigen deden het om hun leven te redden, anderen uit sadisme, opportunisme of volle overtuiging.

Antisemitisme heeft juist in de bloedlanden een lange traditie. Hitler gebruikte de lokale bevolking voor executies of kampbewaking. De Oekraïener Demjanjuk was er zo een. Maar Snyder heeft niks op met gemakkelijk moralisme: ‘Het is veel aanlokkelijker om je te identificeren met de slachtoffers dan om de historische achtergrond te begrijpen die zij deelden met de daders en de toeschouwers in de bloedlanden.’ Alleen het complete beeld kan recht doen aan de geschiedenis. Snyder waarschuwt voor de ‘competitieve martyrologie’ waaraan heel Europa zich sinds WW II schuldig maakt.

Bloodlands zit vol grote getallen. Jammer is dat daardoor het zicht op het gewonemensenverhaal soms naar de achtergrond verdwijnt. Dat kan misschien niet anders in een boek dat de onbegrijpelijke omvang van de terreur uit die jaren recht probeert te doen. Onuitgewerkt blijven ook de recente pogingen in Oost-Europa om met haar besmette verleden om te gaan. Voor Litouwers, Esten en Polen zijn de Russen nog steeds de laatste en langdurigste bezetters, en het is verleidelijk de onderdrukking in het recente verleden zwaarder te laten wegen dan de eigen collaboratie in de Hitlertijd. De Russen doen er op hun beurt alles aan de Balten nog als een volk van nazivrienden voor te stellen. Incidenten als het verplaatsen van het sovjetstandbeeld voor de onbekende soldaat uit het centrum van Tallinn naar een afgelegen begraafplaats helpen daarbij niet echt.

In de Pools-Russische verhoudingen is sinds het aantreden van de regering-Tusk een opmerkelijke dooi ingetreden. Het Russische parlement erkende vorig jaar eindelijk dat de 20.000 Poolse officieren die na de oorlog in massagraven werden gevonden in de bossen van Katyn geëxecuteerd zijn door de Russen en niet door de Duitsers, zoals de geallieerden destijds maar al te graag wilden geloven. Dat een kleine honderd Poolse politici en bestuurders vorig voorjaar bij een bizar vliegtuigongeluk omkwamen, terwijl ze juist op weg waren naar een herdenking van de moordpartij in de bossen van Katyn, is wel heel ironisch. Nog steeds tien procent van de Polen denkt dat dit geen ongeluk was, maar een Russisch complot.

Snyder laathaarscherp zien dat niet alleen de Russen en Oost-Europeanen onderling nog heel wat geschiedenis hebben te verwerken, maar dat ook het gemakzuchtige West-Europa verplicht is zich te verdiepen in de tragedie die zich in de 20ste eeuw in die onbekende gebieden in het hart van Europa heeft afgespeeld. Snel oordelen over goed en fout is veel te gemakkelijk.

Bloedlanden, de Nederlandse vertaling van Bloodlands door Patty Adelaar en Ton Heuvelmans, verschijnt deze maand bij Ambo (€40,-)