't Schilderij ... en daar voorbij

Rutger Hauer speelt Pieter Breughel in de film ‘The Mill and the Cross’. Die gaat in première op het aanstaande Rotterdams filmfestival. Breughels schilderij ‘De Kruisgang’ is met digitale techniek tot leven gebracht.

Een tante van mij woonde vroeger in de Orteliusstraat. Ze was er al weg toen ik geboren werd, en gelukkig maar, want het was een grauwe straat in Amsterdam-West, in de buurt van het Mercatorplein en de Jan van Galenstraat. Je kunt waarschijnlijk beter in de Brueghelstraat beginnen, hemelsbreed ongeveer vier kilometer naar het zuiden, in sociale afstand wel honderd.

Ortelius en Breughel waren ooit zo dicht bij elkaar dat ze aan elkaar grensden. Het waren vrienden, de een kaartenmaker, de ander schilder. Ortelius heeft weleens een kaart gemaakt waar ook Amsterdam op staat, dus ook het gebied waar later een straat kwam die nog later zijn naam kreeg. Breughel heeft Amsterdam nooit geschilderd, maar het lijkt wel zo, alsof hij ook de Breughelstraat, de Orteliusstraat en mijn tante heeft vastgelegd. Mijn God, wat zijn de schilderijen van Breughel overvol. Als je ernaar kijkt, is het alsof hij alles heeft geschilderd, alsof hij een voorloper was van Google Earth, alsof je kunt inzoomen en uitzoomen en het schilderij nooit ophoudt.

Kijk maar naar een propvol schilderij als De kinderspelen, De dulle griet of De spreekwoorden; het krioelt er van de dingen en de mensen. Van Breughel ga je tellen als een kind: een, twee, drie, veel.

Als een schilderij niet zo vol is, zorgt hij er op een andere manier voor dat het vol lijkt. Op De val van Icarus laat hij Icarus zo achteloos in zee vallen dat je het moet weten om het te zien. Alleen twee benen en een paar veertjes komen boven de golven uit. Op de voorgrond staat een ploegende boer. De Britse dichter W.H. Auden schreef over dit schilderij in het gedicht Musée des Beaux Arts, dat gaat over onopgemerkt lijden: „Op Breughels Icarus bijvoorbeeld, zoals alles zich / op zijn dode gemak van de ramp afkeert; de man achter de ploeg / Zou de plons gehoord kunnen hebben, de verloren kreet, / Maar voor hem was het geen belangrijk fiasco; de zon scheen / Zoals het moest op de witte benen die verdwenen / in het groene water; en het kostbare, fragiele schip dat iets merkwaardigs / gezien moet hebben, een jongen die uit de hemel viel / moest ergens heen en zeilde rustig door.”

Het thema is bijna hetzelfde als van een ander beroemd gedicht van Auden, waarin hij wil dat de zon ontmanteld wordt en de sterren gedoofd worden omdat zijn geliefde dood is. Ook dat gebeurt niet. Het schip zeilt verder, de aarde draait door.

Het mooie van de schilderijen van Breughel is voor mij juist dat ze je met die gedachte weten te verzoenen, zelfs als degene die sterft niet zomaar de geliefde is van een dichter, maar iemand met meer betekenis voor meer mensen. Jezus Christus bijvoorbeeld. Alles gebeurt tegelijk en wie zegt wat belangrijk is? De werken van Breughel hebben een nivellerende werking. De schilder heeft empathie voor al het zichtbare.

Van het schilderij De kruisgang weten we dankzij de titel het onderwerp, maar Jezus en zijn kruis zijn hier net zo moeilijk te vinden als Icarus op De val van Icarus. Pas als je hem gevonden hebt, zie je dat hij precies op het midden van het paneel is geschilderd. Er is ook heel wel van dit schilderij te genieten zonder dat Jezus je opvalt. Kijk naar dat jongetje dat een beekje oversteekt; de vrouw met het kalf in een mand, de pollepel op de rug van de marskramer, de man die een kind op zijn schouders draagt, de man die zijn gevallen muts oppakt, de twee gearmd lopende kinderen, al die honden. Wie iets beter kijkt, ziet dat de meeste mensen ergens naartoe op weg zijn, vermoedelijk naar de plek waar ook Jezus naartoe gaat. Er zijn al twee kruizen opgericht. In de traditionele interpretatie is het schilderij een theatrum mundi, een wereldschouwtoneel, en zouden we met afgrijzen vervuld moeten worden van het feit dat het leven gewoon doorgaat terwijl Christus gaat sterven.

Maar is dat wel zo erg? Is het niet gewoon zo? Zo’n landschap van Breughel, of er nu een christelijke scène op geschilderd is, lijkt alles te omhelzen, altijd te kunnen doorgaan, aan de ene kant naar de Alpen, aan de andere kant naar de Wadden, links naar de Noordzee en rechts naar de Oeral; overal zullen weer jongetjes zijn die beekjes oversteken, mannen die aan een kruis genageld worden, tantes die in straten als de Orteliusstraat wonen. To infinity and beyond. Breughel zag er al geen been in om de kruisgang vanuit eerste-eeuws Israël te verplaatsen naar zestiende-eeuws Vlaanderen; dan kan twintigste-eeuws Amsterdam er ook nog wel bij. Breughels vriend Ortelius zei het in 1574 Plinius na: ‘in al zijn werken is er meer te begrijpen dan er is geschilderd.’

In de interpretatie van kunstcriticus Michael Gibson en filmer Lech Majewski (zie kader) is de marteldood niet tot die van Jezus beperkt: in Vlaanderen traden de Spanjaarden hard op tegen de protestanten. Ook dat heeft Breughel geschilderd. ‘In zijn visie zijn alle slachtoffers identiek aan Christus’, schrijft Gibson in het boek The Mill and the Cross. ‘Ieder vervolgd mens is een lijdende God.’

Majewski laat in de film zien dat ieder mens ook een spelend kind is of is geweest. Hij lardeert de film met scènes van de kinderen van Breughel die wakker worden en op hun strozakken paardje spelen. Gelach en zacht vlees hier en daar beschermd door een wit linnen nachthemd. In een van hen herken ik mijn tante zo jong als ik haar nooit heb gekend. Ortelius grenst weer aan Breughel.