Scholieren, jullie doen het wél goed

Twentse onderzoekers bekeken dezelfde rapporten als de commissie-Dijsselbloem.

Wat blijkt? Het valt best mee in het onderwijs, ondanks bijvoorbeeld het Studiehuis.

Nederlandse scholieren doen het al jaren goed, in vergelijking met het buitenland. Zowel op de basisschool als op de middelbare school zijn de prestaties op een constant hoog niveau, stellen onderzoekers van de Universiteit Twente. Zij hebben in opdracht van NWO, de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek, nationale en internationale studies over onderwijskwaliteit van de laatste vijftien jaar naast elkaar gelegd.

Vandaag presenteren de onderzoekers hun conclusies. En die zijn in tegenspraak met het heersende beeld dat het „beroerd” gaat met de onderwijskwaliteit in Nederland, stelt de Twentse hoogleraar onderwijskunde Jaap Scheerens, die samen met Hans Luyten en Jan van Ravens het onderzoek uitvoerde. Bij de recente presentatie van de PISA-cijfers zei minister Van Bijsterveldt (Onderwijs, CDA) dat Nederlandse kinderen achteruitgaan. Ze nam de gelegenheid te baat om maatregelen te treffen om het taal- en rekenonderwijs te verbeteren. De commissie-Dijsselbloem deed in 2007 een parlementair onderzoek naar onderwijsvernieuwing en concludeerde dat de kwaliteit van het onderwijs „reden tot zorg” geeft.

Scheerens en zijn team, die dezelfde rapporten als Dijsselbloem hebben bestudeerd, plus meer recente en internationale rapporten, zijn het daar niet mee eens. „De resultaten zijn gewoon heel goed”, zegt Scheerens. „Dat lees je trouwens ook terug in het rapport van Dijsselbloem; dat is behoorlijk positief wat betreft de feitelijke gegevens van de onderwijskwaliteit. Alleen is in de algemene conclusie een negatieve interpretatie gegeven. Onnodig. Men had kennelijk de behoefte om te zeggen dat de onderwijsvernieuwing ‘Studiehuis’ een rare uitvinding is. Dat vind ik ook. Tegelijkertijd kun je zeggen dat óndanks het Studiehuis de prestaties goed zijn gebleven.”

Men praat elkaar na in het publieke debat, zegt Scheerens, „en vindt het niet nodig om goed te kijken wat er echt aan de hand is”. De onderzoekers merken op dat recent „in de politiek en in de media” vooral veel kritiek is geleverd op de kwaliteit in het voortgezet onderwijs. Maar van de vijftien internationale vergelijkingen tonen drie een „lichte” achteruitgang aan. Te weinig om te spreken van een duidelijke achteruitgang, al kun je ook niet zeggen dat de prestaties beter worden. „Er zullen lokale problemen zijn, ongetwijfeld. Maar als je globaal kijkt, met een bredere blik, dat hebben we resultaten waar andere landen hun vingers bij zouden aflikken.”

Al wil dat weer niet zeggen dat er niet moet worden gestreefd naar verbetering. „Het is goed om te focussen op de basisvakken rekenen en taalvaardigheid, zoals nu gebeurt. En die te verbeteren. Maar we zitten al redelijk hoog op dat gebied.”

Scheerens wijst op de discrepantie tussen het aantal hogeropgeleiden en de hoge leerprestaties in het voortgezet onderwijs. „Simpel gezegd: wat prestaties betreft is de rek er bijna uit, daarbij zitten we internationaal bij de top en kan bijna geen verbetering worden bereikt. Maar we zitten in Nederland niet bij de top als het gaat om het aantal hogeropgeleiden. Dan zijn we eerder gemiddeld.”

Wil Nederland betere resultaten behalen dan nu, dan zit de winst volgens Scheerens in een aanpak van de „vroege selectie” van leerlingen. In Nederland kiezen kinderen betrekkelijk vroeg, op hun twaalfde, voor een bepaalde schoolrichting, zoals vmbo of havo/vwo. Die vroege selectie vermindert de doorstroom van leerlingen, met name als die hun talenten wat later ontplooien. „Het is bijna niet mogelijk om stroomopwaarts te gaan. Leerlingen zitten gevangen in een systeem.” Ook de Onderwijsraad pleitte daarom vorig jaar voor een gemengde brugklas.

„Als je zoekt naar een manier om dat te verbeteren, dan kun je over het stelsel nadenken”, zegt Scheerens. Dat gebeurt momenteel niet zoveel, zegt hij: „Dat is niet populair. Na Dijsselbloem is er zowat een verbod op gekomen om stelselwijzigingen voor te stellen.” Toch zegt hij, zou je iets moeten kunnen doen aan de vroege selectie en de „schotten” tussen de schooltypen. „Dat gebeurt nu al in een milde vorm, met aandacht voor doorlopende leerlijnen.” Maar dat is voor hem nog niet voldoende. „We kunnen veel meer winnen als meer aandacht gaat naar de doorstroming van leerlingen.”