Schmutzige deurklinken

Een vriendin belt me op over de verjaardag van een gezamenlijke vriend die avond: „Ik weet niet zeker of ik kom”, zegt ze met zwakke stem. „Ik voel me helemaal niet goed. Ik val steeds in slaap en heb hoofdpijn. En koorts.” Begripvol zeg ik: „Dan kun je misschien beter lekker thuisblijven, toch?” „Ja”, aarzelt

Een vriendin belt me op over de verjaardag van een gezamenlijke vriend die avond: „Ik weet niet zeker of ik kom”, zegt ze met zwakke stem. „Ik voel me helemaal niet goed. Ik val steeds in slaap en heb hoofdpijn. En koorts.” Begripvol zeg ik: „Dan kun je misschien beter lekker thuisblijven, toch?” „Ja”, aarzelt ze. „Al denk ik dat ik toch wel even kom hoor.” „Nou…” zeg ik overredend, „blijf maar fijn in bed. Met een soepje ofzo.” Ze zucht: „Ik heb net expres heel veel Ibuprofen genomen, dus ik denk dat het wel gaat…” „Nee!” roep ik. „Jij hebt allemaal bacillen en bacteriën en die ga je straks over de verjaardag heen niezen en dan krijgen we met zijn allen de Mexicaanse griep en moeten we allemaal wekenlang lijden!” „Nou”, reageert ze gepikeerd. „Jij leeft gelukkig heel erg met me mee.” Als ze ’s avonds in een dikke wollen trui verschijnt, begroet ik haar met een verontschuldigende knuffel, waarop ze plechtig belooft niet royaal over me heen te niezen. Ze loopt verder naar de jarige, waarop ik stilletjes het flesje desinfecterende handgel uit mijn handtas pak.

Ik loop al weken rond met een panische angst voor de griepepidemie. Elk feest of bioscoopbezoek zie ik voornamelijk als potentiële virussenkermis, waar wolken onzichtbare ziektekiemen rond worden gesnotterd, geproest en met kleverige handjes doorgegeven. Mensen in mijn omgeving lijken met bosjes neer te vallen, iets wat mij alleen maar versterkt in het gevoel dat de griep mij beloert en wacht op een fataal moment van zwakte om mij te bespringen.

Het vreemde is: inmiddels wíl ik bijna dat het gebeurt. Aan de ene kant weet ik dat de griep hebben afschuwelijk is (daarom probeer ik immers al weken schmutzige deurklinken met mijn elleboog open te duwen). Maar toch, als ik dan aan alle door ziekte gevelde mensen denk, word ik bijna jaloers. Zij liggen lekker in bed, onder de dekens, met stevige kussens in de rug. Zij mogen uren achter elkaar naar demonstraties van de vetmasseermachine van TellSell kijken, zonder zich schuldig te voelen. Zij worden verzorgd door geliefden, van wie ze wortelbietenparacetamolsmoothies krijgen. Zij mogen te pas en te onpas vragen: „Voel mijn voorhoofd eens? Warm hè? Ja, ik ben superziek. Echt hartstikke veel koorts.” en dan stiekem trots zijn als ze de 40 graden hebben gehaald.

Maar ik weet: als je aan ziek zijn dénkt, vergeet je hoe ziek zijn vóélt. Griep voelt namelijk aan alsof er een vrachtwagen over je heen heeft gereden. Je voelt je miserabel, hebt overal spierpijn en de koorts maakt je ogen heet en prikkerig, zodat je niet eens naar een beeldscherm kunt kijken, laat staan je op een verhaallijn concentreren (zelfs als de verhaallijn ‘kijk eens! Een vetmasseermachine!’ is).

Dus ben ik heus wel blij dat ik het niet heb. Mijn desinfecteergel en ik geven de strijd niet op.