Rintje: ijs

Rintje : IJs Illustratie Sieb Posthuma

‘Kom, we gaan naar de sloot aan het eind van de straat,’ zegt Rintje. ‘Daar ligt het mooiste ijs!’

‘Ik neem mijn nieuwe kunstschaatsen mee,’ zegt Henriette. ‘Het zijn hele mooie, met roze schoenen!’

‘Ik heb geen schaatsen,’ zegt Tobias. ‘Maar glijden op het ijs is ook leuk!’

‘De wereldberoemde buikschuiverschaatser,’ lacht Rintje.

Maar als ze bij de sloot komen, zien ze niemand op het ijs. En het ijs ziet er heel anders uit dan eerst. Er liggen plassen water op.

‘Wat is het lekker rustig,’ zegt Tobias. ‘We hebben de sloot helemaal voor ons alleen.’

Hij wil al een stap op het ijs zetten, maar Henriette houdt hem tegen. ‘Niet doen!’ roept ze. ‘Dat is heel gevaarlijk. Het dooit! Het ijs is zacht geworden omdat het niet meer vriest.’

‘Dat zal toch wel meevallen?’ zegt Tobias. ‘Eergisteren waren hier nog heel veel honden aan het schaatsen.’

‘Henriette heeft gelijk,’ zegt Rintje. ‘Het is gevaarlijk om nu op het ijs te gaan.’

‘We kunnen het toch heel voorzichtig proberen?’ vraagt Tobias. ‘Ik weet wat. We gooien een steen op het ijs en als die er niet doorheen zakt dan kan ik er ook wel op!’

Tobias zoekt onder de bomen naast de sloot naar een steen en vindt een flinke kei.

‘Die is veel te klein,’ zegt Henriette. ‘Wij wegen toch veel zwaarder!’

Tobias gooit de kei en hij komt met een harde klap op het ijs neer. De kei glijdt een heel stuk over het ijs.

‘Zie je wel,’ zegt Tobias. ‘Het ijs is sterk genoeg.’

Voordat Henriette en Rintje iets kunnen doen, is Tobias al op het ijs gestapt. Op zijn buik glijdt hij naar het midden van de sloot.

‘Kom er af, kom er af!’ roept Henriette. ‘Straks zak je er doorheen en dan verdrink je!’

Maar Tobias luistert niet en glijdt op zijn buik over de bevroren sloot heen en weer.

Met zijn achterpoten geeft hij steeds een zetje en dan glijdt hij weer verder.

‘Ik ben bang,’ fluistert Henriette tegen Rintje. ‘Straks gaat het fout!’

‘Wij blijven aan de kant,’ zegt Rintje. ‘Dat scheelt gewicht!’

‘Joehooooeeeee!’ gilt Tobias als hij voorbij glijdt. ‘Het is heerlijk! Kom er toch ook op.’ Hij zet met zijn poten extra hard af, en dan gaat het mis. Er klinkt een hard gekraak en zijn achterpoot schiet door het ijs.

‘Zie je wel, zie je wel!’ gilt Henriette. “Ik heb het toch gezegd! Zo meteen verdrink je!’

Tobias’ poot hangt in het ijskoude water en hij kijkt geschrokken naar de kant. Met zijn andere poten krabbelt hij zo hard hij kan en hij trekt zichzelf weer op het ijs. Snel glijdt hij naar de wal en springt op het gras. Hij staat te bibberen van de schrik en van de kou.

‘Zal je dat nooit meer doen!’ zegt Henriette.

Tobias schudt met zijn kop.

‘We gaan snel naar huis bij de warme kachel zitten,’ zegt Rintje. ‘Dan houdt het bibberen snel weer op.’