O, stralende lege stad

Zijn steden waarbij de architect vergeten is dat er ook mensen moeten wonen mislukte steden? Nee, dat hoeft niet, ziet Bernard Hulsman in een fotoboek over de lege wereldsteden Brasilia en Chandigarh.

Iwan Baan: Brasilia – Chandigarh. Living with Modernity. Lars Müller, 240 blz. € 40,-

Zijn hele leven was Le Corbusier op zoek naar een opdrachtgever die hem zijn droom van de ‘stralende stad’ liet verwezenlijken. Omdat hij wist dat dictators en autoritaire politici graag nieuwe steden bouwen, bood ‘dé architect van de 20ste eeuw’ zijn diensten aan Stalin, Mussolini en Pétain aan. Maar die zagen niets in zijn radicale ideeën. Pas in de 1950 kreeg hij van de Indiase leider Nehru de opdracht om, samen met een paar andere architecten, Chandigarh te ontwerpen, de hoofdstad van de nieuwe Indiase deelstaat Punjab.

Enkele jaren later besloot de Braziliaanse president Kubitschek iets soortgelijks te doen. Binnen vier jaar wilde hij in het snikhete Braziliaanse binnenland een nieuwe hoofdstad bouwen: Brasilia. Kubitschek had hiervoor geen buitenlandse beroemdheid nodig, maar zette de Brazilianen Lucia Costa en de nu 102-jarige Oscar Niemeyer aan het werk. Het resultaat was een stad die nauw verwant was met Chandigarh: met hun strikte scheiding van wonen, werken en recreëren waren beide steden radicaal modernistisch. Bovendien was Niemeyer, die de regeringsgebouwen in Brasilia heeft ontworpen, min of meer een leerling van Le Corbusier.

In Brasilia-Chandigarh. Living with Modernity laat de Nederlandse fotograaf Iwan Baan, bekend van zijn werk voor beroemdheden als Rem Koolhaas en Herzog & De Meuron, zien hoe de tweelingsteden er nu, een halve eeuw later, bij staan. Het wemelt van de lege pleinen en vlaktes op zijn foto’s. Vooral rondom de overheidsgebouwen zijn maar weinig tekenen van leven, hoewel Chandigarh 800.000 inwoners telt en Brasilia zelfs 2 miljoen. De verlatenheid heeft natuurlijk te maken met het warme klimaat in beide steden. Maar volgens de Zwitserse kunsthistoricus Martino Stierli komt dit ook door ontwerpfouten. Zo biedt Chandigarh geen ruimte voor de traditionele Indiase straathandel. Ook had de door auto’s geobsedeerde Le Corbusier over het hoofd gezien dat de fiets het belangrijkste vervoermiddel voor de Punjaber was en nog steeds is.

Favela

In Brasilia waren de ontwerpers vergeten dat ook de laagbetaalden die elke economie kent, onderdak moesten krijgen. Die bouwden daarom zelf aan de rand van Brasilia hun krotten. Hier spelen kinderen, zo blijkt uit de foto’s van Baan, en hier hangt de was buiten. En niet op de officiële pleinen, maar op een straathoek van de favela zit een man een pils te drinken.

Toch noemt Sierli Chandigarh en Brasilia nadrukkelijk geen mislukkingen. Hoewel de indrukwekkende regeringsgebouwen in beide steden zijn bedoeld als ‘belichamingen van een strikt gerationaliseerde maatschappij’, schrijft hij, zijn ze niet zo ongenaakbaar dat de bewoners ze niet hebben toegeëigend. Het lijkt een deftige manier om te zeggen dat leven in Brasilia en Chandigarh niet volstrekt onmogelijk is.

Net als Chandigarh is Brasilia, waarvan de plattegrond de vorm van een vliegtuig heeft, een echte autostad. Lopen is er geen aangename bezigheid, schrijft Cees Nooteboom in ‘Ex Nihilo: A Tale Of Two Cities’, het tweede Engelstalige essay in Baans fotoboek. Nooteboom merkte al in 1968 bij een bezoek aan de stad dat de gebouwen op te grote afstanden van elkaar staan om door de hitte van de ene naar de andere te wandelen.

Bij een van de foto’s van Chandigarh merkt Nooteboom op dat de overheidsdienaren er werken alsof ze in de 19de eeuw leven. Hun bureaus staan te midden van met dossiers overladen kasten, alsof het digitale tijdperk niet is aangebroken. Hij is benieuwd naar wat Le Corbusier, de man die een woning eens ‘een machine om te wonen’ had genoemd, van de kantoorchaos zou vinden.

Veel aandacht schenkt Nooteboom aan een foto waarop twee jongens te zien zijn die langs een blinde muur van een school in Chandigarh fietsen. Op de muur staat een afbeelding van een rechthoekige driehoek met aan alle zijden vierkanten die E, F en H zijn genoemd. E + F = H staat erbij. Nooteboom kan deze ‘mysterieuze formule’ niet oplossen, schrijft hij. ‘Misschien is het deze foto die het duidelijkst de afstand tussen oorsprong, idee en gedachte illustreert, en wat ermee gebeurt in de dagelijkse praktijk. Praktijk, of laat het ons gewoon leven noemen: leven als een uitbreiding van de architect, een onverwachte en onvoorspelbare handlanger.’ Blijkbaar is het Nooteboom ontgaan dat de ‘mysterieuze formule’ de stelling van Pythagoras is.

Gras

Elders schrijft Nooteboom dat hij bij zijn bezoek aan het toen nog jonge Brasilia werd getroffen door de kracht van de natuur. Het gras was er toen al tussen de betonnen tegels omhoog gegroeid en liet zien dat het uiteindelijke resultaat van een stad anders is dan de smetteloze blauwdrukken van de architecten. De foto’s van Iwan Baan laten iets soortgelijks zien. Zoals de planten al gauw tussen het beton opschoten, zo gebruiken de bewoners Chandigarh en Brasilia van begin af aan anders dan de architecten hebben voorzien. Zo zal Le Corbusier nooit hebben gedacht dat Indiërs hun middagdutje zouden doen op de vloer van een van zijn regeringsgebouwen. En hij zal niet hebben verwacht dat iemand in een ovaal raam van een luchtbrug een draad ophangt om zijn was even te drogen.

Anders dan veel andere architectuurfotografen, die gebouwen bij voorkeur perfect belicht fotograferen zonder de storende aanwezigheid van mensen, lijkt de architectuur voor Baan bijzaak. Sommige foto’s lijken op snapshots – hij heeft er zelfs een paar uit een rijdende auto door een beregende ruit genomen. En als hij in Brasilia een gebouw van Niemeyer fotografeert, staat dat op de achtergrond en trekt een souvenirverkoper met zijn karretje op de voorgrond de meeste aandacht.

Deze benadering maakt van Brasilia-Chandigarh niet zozeer een architectuurfotoboek als wel een verslag van het dagelijkse leven tussen en in wereldberoemde modernistische gebouwen.