Niet alleen experimentele kunst

An Paenhuysen: De nieuwe wereld. De wonderjaren van de Belgische avant-garde . Meulenhoff, 381 blz. €24,95

In het manifest waarmee het Antwerpse tijdschrift Het Overzicht tweeënhalf jaar na WO I opende, schreef redacteur Fernant Berckelaers: ‘Wij staan te midden ’n omwenteling en heromwenteling van alle idealen en teoriën; maar wanneer en hoe zal die ons bevrijden uit de muffe atmosfeer van huichel-konventies en verkeerde toestanden?’

Het zou nog ruim een jaar duren voor Het Overzicht zich met de komst van schilder Jozef Peeters in de voorhoede van de constructivistische beweging plaatste. Het Overzicht prijkte vanaf datzelfde jaar 1921 op het omslag van De Stijl, het vehikel waarmee Theo van Doesburg zijn plaats binnen de internationale avant-garde had bevochten.

Aan de in haar ogen onderbelichte Belgische bijdrage aan de avant-garde wijdde de Leuvense historica An Paenhuysen een monografie. Ze ziet de avant-garde vooral als een uitbraak van de huiselijke beslotenheid naar de grote stad, waarbij een besloten stek werd ingeruild voor vrijheid.

Het boek is opgebouwd rond de metropolen Berlijn en Parijs, terwijl ook ‘provinciaal kosmopolitisme’ in Vlaanderen en Wallonië en innerlijke ballingschap aan de orde komen. Deze drie hoofdlijnen worden verweven met de thema’s revolutie, massacultuur en het probleem van identiteit, die in Paenhuysens optiek samenvallen met respectievelijk de periodes 1900-1922, 1922-1930 en de daaropvolgende jaren.

In zijn onder pseudoniem I.K. Bonset gepubliceerde bespreking van de dichtbundel Bezette stad van Paul van Ostaijen, noemde Van Doesburg hem een epigoon die model stond voor de gemiddelde Belgische – en dan vooral de Vlaamse – avant-gardist. Dat beeld heeft lang van de Belgische avant-garde bestaan. Al in augustus 1921 had Van Doesburg erop gewezen dat het in België overheersende expressionisme ‘elke streng- synthetische en reële beelding van den geest’ in de weg stond. Uitzonderingen vormden in Van Doesburgs ogen alleen Clément Pansaers, Georges Vantongerloo, Karel Maes en E.L.T. Mesens.

De strikte scheiding die Van Doesburg aanbracht, wordt op geen enkele manier ondersteund door Paenhuysens onderzoek. Haar boek is juist een pleidooi voor verscheidenheid en onzuiverheid in het verhaal van de moderniteit. De namen die Van Doesburg noemde, en nog een paar meer, komen ook in haar boek aan de orde, al had wat mij betreft met name Vantongerloo, met zijn door zijn linkse ideologie gestuurde kunstopvattingen, meer aandacht mogen krijgen.

De waarde van De nieuwe wereld is dat het boek laat zien dat deelneming aan de avant-garde niet altijd leidde tot vernieuwende, experimentele kunst, maar tot kunst die vooral een nieuwe wereld en een nieuwe mens wilde vormgeven.