Nederland in vijf zintuigen: hoe voelt het?

Hoe werkt Nederland op de zintuigen van iemand die er niet is opgegroeid? De Achterpagina vroeg een aantal geïmmigreerde auteurs om te beschrijven hoe Nederland ruikt, oogt en smaakt. En vandaag in de laatste aflevering: hoe voelt het?

Als iets te blozende wangen

Monica de Ruiter

Na vier jaar in Nederland weet ik dat het hier voelt als een ijskoude huid en een warm rapport, als dagelijkse discipline, maar ook als zomervakantie. Ik voel de deiningen van die grote boot die vertrekt uit Harlingen en het kraken van de slingerende schelpenpaden in de duinen van Terschelling. Als de zachte wind die onder mijn huid kruipt in de duinpannen en de doordringende geuren van hei en lavendel die aan mijn buik blijven plakken. Het voelt als zonnige brede stranden waar ik maanden bloot rond kan lopen. En als de hobbelende huifkar op de Wadden, de deinende paardebillen om op te zitten of naar te staren. Het is het warme haardvuur binnen of een knapperig kampvuur buiten. Het voelt als hoestend verhuizen naar een grotere zolderkamer, die nog verder weg is van de tuin en geen wortels in de grond heeft. Hard nadenken voel ik hier ook, omdat het me wat moet schelen dat ik kleren op de grond laat liggen en mijn haar niet heb gewassen. Het voelt als iets te blozende wangen en als de asem die terugkomt als ik in een wollen sjaal loopt te zuchten. Als een dun vliesje kou tussen mij en de hand die mijn wang aanraakt. Het ademt als mijn samengeknepen longen die zoeken naar verloren warme luchten.

Als het sneeuwt, is Nederland opeens Afrika. Omdat alle stoepranden wegvallen, de witte grond eeuwig doorloopt tussen de huizen. Omdat de straten en pleinen je omhelzen in de warmte van een alles verbindende deken. Omdat iedereen samenvalt met de gedempte geluiden en de hele wereld eindelijk fluistert. Omdat in de sneeuw alle mensen lachen en niemand meer haast heeft.

Monica de Ruiter

(1971) groeide op in Indonesië en Gabon (West-Afrika). Ze studeerde schilderen aan de Kunstacademie in Den Haag en Frans en literatuurwetenschappen aan de UvA.

Botsen tegen regen en wind

Borislav Cicovacki

En de regen had het op mijn gezicht en mijn handen gemunt, de druppels kropen over mijn wimpers, mijn sokken waren doornat, de wind stak zijn vingers in mijn haar, maar ik kon me er niet tegen verzetten. Mijn vader was toen in een uitzonderlijk vrijgevige bui en wilde mijn eerste dag in het nieuwe land bekronen met de aankoop van een fiets.

In een smalle straat, waar de wind wonderlijk genoeg geen toegang had, probeerden we verschillende modellen uit. Mijn achterste op een hard zadel, mijn achterste op een zacht zadel, mijn achterste op een nat zadel, mijn handen op een ijskoud stuur, mijn voeten gesteund op pedalen, in weerwil van de wind die zou verschijnen, die is verschenen, die me afranselt – ach, hoeveel fietsen zijn er sindsdien door mijn leven gegaan, hoeveel zweet hebben mijn kleren daardoor geabsorbeerd...

En als ik mijn ogen sluit en me een dag, de eerste dag, een bepaalde dag, die dag, een gewone dag in mijn nieuwe leven wil herinneren, herinner ik me een fiets die onder mij voort- en voortjaagt, botst tegen de regen, botst tegen de wind, mij de tijd in draagt, mij naar het bekende en het onbekende draagt, naar het doel dat altijd wordt bereikt, en verder, nog veel verder, tot het oneindige en daarachter, al het andere veranderend in triviale vergankelijkheid...

Ja, mijn verre vader van lang geleden, die nu al bijna onwerkelijke vader, heeft alles gedaan om zijn dochter verliefd te laten worden op dit land, waar ze altijd is gebleven. Ik weet niet of ik er ooit verliefd op ben geweest, maar op een dag, die dag, een gewone dag, besefte ik dat ik ervan hield.

Borislav Cicovacki

Vertaling Reina Dokter

Borislav Cicovacki (Sombor, Servië (Joegoslavië, 1966) studeerde hobo in Novi Sad en bij Han de Vries in Amsterdam, waar hij sinds 1991 woont. Hij is musicoloog en componist en publiceerde vijf boeken.