Met Guus Vleugel terug in de tijd

Bij Karel van het Reve (Verzameld Werk, deel 4, pagina 885) las ik een korte uitval uit 1980 naar Jeroen Brouwers, die een jaar eerder zijn ophefmakende pamflet De nieuwe revisor had geschreven over wat in zijn ogen het verval van de Nederlandse literatuur was.

„De brochure van Jeroen Brouwers is terug te brengen tot twee misverstanden: het misverstand dat literatuur vooral gemaakt wordt door literatoren en het misverstand dat er zoiets bestaat als prachtig schelden. Al die scheldwoorden komen, lijkt het, uit Van Deyssel. En zijn boosheid richt zich tegen niet-literatoren die schrijven en tegen mensen die de geschriften van niet-literatoren mooi vinden. Guus Vleugel krijgt een prijs. Daarover is Brouwers verontwaardigd. Hij zegt verder niets over Vleugel. Waarom mag die geen prijs hebben? Omdat, denk ik, die prijs aan iemand gegeven is die geen ‘literatuur’ schrijft, maar cabaretteksten.”

Guus Vleugel! Had ik van hem (en Annie M.G. Schmidt en nog enkele andere cabaretgoden) niet net bij De Slegte voor maar 5 euro een fraaie verzamelbundel, getiteld Na de seksuele revolutie, zien liggen, voorzien van een rode pluchen band – ruim tien jaar geleden een lovenswaardig uitgeefinitiatief van Nijgh & Van Ditmar?

Dus terug naar De Slegte en die bundel alsnog gekocht. Het werk van Vleugel had ik altijd het meest bewonderd, op oude vinylplaten moest ik nog veel van hem hebben.

Bij lezing thuis kwamen de meeste teksten al gauw weer helemaal tot leven: Call Girl, God is niet dood, Arme ouwe, Suiker voor Castro, La Belle Américaine, De Rosse buurt, Roll another one, Je laat ze niet echt in de steek, noem ze maar op.

Vleugel was een taalvirtuoos die onbarmhartig scherp uit de hoek kon komen. Als satiricus maakte hij, net als Jan Blokker, vooral dankbaar gebruik van het materiaal dat de jaren zestig en zeventig hem boden.

Zijn opkomst mocht hij dan juist aan het geestelijke klimaat van die jaren te danken hebben, het belette hem niet de zwakheden ervan op de hak te nemen.

Neem dat prachtige lied Meisje uit de provincie in het magies sentrum.

Het meisje besluit Enschede te ontvluchten, want „wat is in godsnaam Enschede? Twee boerenhippies en één lullig beatcafé”.

Ze gaat naar Amsterdam, „het Magies Sentrum van ’t heelal”

Het is begonnen, zei ze zachtjes voor zich heen/ Dit is de sien waar al het goeie volk naar snakt/ Toch had ze echt nog niet zo vrees’lijk gauw contact/ Om twee uur ’s nachts was ze nog moederziel alleen/ Toen ging het regenen, in paniek/ Zocht ze haar heil in een portiek/ Daar zaten ook, nu had ze beet/ Twee Ierse meisjes en een Zweed/ Ze zei: Hello, my name is Annie van den Berg/ Maar verder wou de conversatie niet zo erg.

Ik moet nu helaas enkele coupletten met hilarische regels (Neem nou dat seksfeest, in dat huis in de Jordaan/ Ze zat de hele avond met ’r kleren aan) overslaan om het schrijnende slot te bereiken:

En op een dag zei ze: Tot ziens/ En toen vertrok ze in d’r jeans/ En met die flaphoed op d’r hoofd/ Waarin ze zelf nooit had geloofd/ En in de trein keek ze nog heel lang uit het raam/ En even huilde ze…Waarom, in jezusnaam?

Ik kan blijven citeren. Waarom, in jezusnaam, heb ik dat boek niet eerder gekocht? Misschien wel omdat het ‘maar cabaretteksten’ waren.