Meer wereld buiten de muren

Musea en theaters in Nederland zijn vaak onvoldoende gericht op de wereld om hen heen. Ze kunnen juist een geweldige plaats zijn voor ontmoetingen. Een onderzoek naar mogelijkheden voor vernieuwing.

Honderd miljoen euro per jaar gaat heen met het bouwen en verbouwen van musea en theaters in Nederland, maar ze zijn amper gericht op de wereld en het publiek buiten de muren. „Musea en theaters kunnen en moeten meer met hun gebouw doen”, zegt Johan Idema, samen met Roel van Herpt auteur van het onderzoek Beyond the black box and the white cube. Hoe we onze musea en theaters kunnen vernieuwen. Dinsdag is daarover een openbaar debat in Amsterdam.

„Zeker nu de cultuursubsidies teruglopen, wordt de publieke functie van cultuurgebouwen belangrijker. Hier komt het publiek live in aanraking met kunst en erfgoed. Cultuurgebouwen moeten aantrekkelijker, laagdrempeliger en veelzijdiger worden, willen ze de aansluiting met dat publiek niet verliezen. Het zijn nu al belangrijke openbare ontmoetingsplaatsen en dat kunnen ze steeds meer worden.”

Dit zijn de bekende third places, zegt Van Herpt, ontmoetingsplekken waar we ontspannen en contact leggen met anderen. Daarmee leveren ze een belangrijke bijdrage aan een gezond publiek leven – zeker nu de publieke ruimte versobert en vercommercialiseert. Een betere aansluiting op de omgeving en de bezoekers is ook in hun eigen belang: de musea en theaters concurreren allemaal met elkaar om het subsidiegeld en om de bezoekers.

In hun boek – een non-profit project van LAgroup, het adviesbureau waar Idema en Van Herpt werken – geven ze 140 voorbeelden van innovatieve cultuurgebouwen in vooral andere landen. Ze onderscheiden zes thema’s: slow stay (hoe hou je bezoekers langer vast), open huis (hoe maak je het gebouw uitnodigend), achter de schermen (laat je depots en je ateliers zien), gebouwverrijking (maak je gebouw multifunctioneel), uiterlijk vertoon (gebruik je gevel als medium om te vertellen wat er binnen gebeurt) en binnenste buiten (de omgeving als etalage).

Een goed voorbeeld van dat laatste is het nieuwe Wyly Theater in Dallas, Texas, van Rem Koolhaas’ bureau OMA en REX van zijn oud-compagnon Joshua Ramus. De theaterzaal is direct vanaf de straat zichtbaar én toegankelijk – een concept waarvoor het gebouw deze week de jaarprijs kreeg van het American Institute of Architects. Het Lincoln Center in New York, een stel bunkers uit de jaren zeventig, is opengelegd door de gevels met glas te vervangen, door buiten op straat miniconcerten als previews te geven en door schermen op te hangen, waar je als passant live een repetitie of een opvoering kunt volgen. Bij de Vlaamse Verbeke Foundation kun je overnachten in de ‘casAnus’ van Joep van Lieshout, of kamperen in een flat van steigerpalen van Kevin ter Braak.

Het is geen toeval dat veel van de voorbeelden Amerikaans zijn. Klopt, zegt Idema, „in Amerika is er meer prikkel van de markt om publiek te trekken. In Nederland nemen de subsidies veel van de creativiteit en het ondernemerschap weg. Bij een cultuurgebouw zijn er drie partners: de culturele instelling zelf, de opdrachtgever-financier en de architect. Het zijn vooral de instellingen zelf die wat harder moeten vechten om hun gebouw toegankelijker te maken en beter te laten aansluiten op de omgeving.” Na enig aandringen noemt Van Herpt een gemiste kans in Nederland: het theater van Almere, een prachtig sereen gebouw van het Japanse bureau Sanaa, dat aan een uitgestorven vlakte staat.

Het traditionele theater als een black box en de museumzaal als een white cube blijven nodig, zeggen de onderzoekers. Maar daarnaast moet de volgende generatie gebouwen inspelen op de veranderingen in de kunst – groter, interactiever, conceptueler, populairder, met meer crossovers tussen verschillende genres – en op onze veranderde verwachtingen van meer beleving, inspiratie en comfort. „Nederland beschikt per vierkante kilometer over de meeste musea en theaters ter wereld”, zegt Johan Idema. „Maar de relatie tussen het gebouw en de wereld eromheen wordt hier zelden meer opnieuw uitgevonden. Terwijl er zo geweldig veel mogelijk is.”

Debat 18 jan. 18u olv Ruben Maes met zakelijk directeur van het Stedelijk, Patrick de Mil, architect van het Stedelijk, Mels Crouwel, en directeur Sandra den Hamer van het Eye Filminstituut. Pakhuis De Zwijger, Piet Heinkade 179, Amsterdam, aanmelden: www.dezwijger.nl/talkofthetown30. Beyond the black box and the white cube, LAgroup, met essay van ZUS Architecten, €39,95, isbn/ean 978-94-90534-02-8.