Kletsgrage geesten weten veel

Stéphane Audeguy: Wij, de anderen. Vertaald door Tatjana Daan. Cossee, 239 blz. € 19,90

Stel dat de doden onzichtbaar om ons heen zweefden, dat ze over onze schouder meekeken, ons onhoorbaar becommentarieerden, ons tegenspraken en ons voortdurend een lesje geschiedenis zouden geven. Dat zijn tachtig miljard doden, waarbij ‘de zeven miljard van degenen die men de levenden noemt weinig voorstellen’, schrijft Stéphane Audeguy in zijn onlangs vertaalde roman Wij, de anderen.

Naar hen verwijst de titel; de anderen, dat zijn geesten van mensen die lang geleden het tijdelijke voor het eeuwige hebben verruild, de doden die het landschap door en door kennen, degenen die weten hoe Kenia het land geworden is dat het nu is. Zij weten van wie de Kenianen afstammen, bij welke conferentie het koloniale Groot-Brittannië besloot Duitsland af te troeven en dwars door het hele land een spoorlijn aan te leggen. De geesten hebben de mannen, gerekruteerd van overal ter wereld om de spoorlijn aan te leggen, zien sterven. Leeuwen deden hun voordeel met de lichamen.

Ook vertellen de doden ons, als een Grieks koor, dat de luipaarden tegenwoordig meesmuilend naar de toeristen kijken die hen fotograferen, maar ze hebben het liever zo, dan doelwit te zijn van jagers die het honderd jaar geleden op hen hadden voorzien. De geesten bekritiseren ook een paleontoloog die een lezing komt geven: ‘hij praat over zijn verre voorouders alsof het zijn buren waren op de camping’. Zo zijn ‘de anderen’ het klankbord in deze roman, ze geven, soms mopperend en spottend, feitelijke achtergrondinformatie en verdieping. Ze vertolken de rede in een wereld die, ook in dit boek, chaotisch is.

Eerder verdiepte Audeguy zich in een ander, even rumoerig tijdperk door imaginaire memoires te schrijven van de broer van de Franse filosoof Jean-Jacques Rousseau. Mijn broer, de enige zoon was een knap verzonnen biografie waarin hij een hele eeuw de revue laat passeren.

Die 18de-eeuwse queeste naar een broer krijgt in deze nieuwe roman een 21ste-eeuwse pendant. Hoofdpersoon is de 33-jarige fotograaf Pierre, die bij het doodsbericht van ene Michel Figuier heel goed moet nadenken wie dat is. Hij heeft zijn vader nauwelijks gekend.

Toch stapt hij in het vliegtuig naar Kenia, om zijn vader te begraven en te ontdekken wat voor leven die leidde. Hij maakt kennis met zijn vrouwen, ontmoet zijn buren, woont in zijn huis in Nairobi en begint te begrijpen wat voor man zijn vader was. Een idealist die de kapitalistische en individualistische wereld de rug toekeerde en oude tradities in zijn eigen leven wilde inpassen, een man die alles deed om Kenia niet door westerlingen of Chinezen te laten verwoesten. Een man die, toen hij zijn einde voelde naderen, de inheemse rite aanhield en naakt in de weiden ging liggen, als prooi voor roofdieren.

Zoals in zijn eerdere werk combineert Audeguy ook in deze roman avontuur en geschiedenis, zoektocht en engagement. Wat je bijblijft is vooral de toon van deze schrijver: eerlijk, robuust en authentiek.