Het is al snel een ramp

Media, overheid en publiek jagen elkaar op: gevaren worden snel uitvergroot.

Voorzorgsmaatregelen leiden daardoor meestal juist tot meer verontrusting.

De nasleep van de brand in Moerdijk laat het vertrouwde beeld zien van een overheid die er niet in slaagt om op een vertrouwenwekkende manier te communiceren met ongeruste bewoners en vooral met media vol verhalen over giftige stoffen.

Als je de (242) koppen in de (veertien) landelijke dagbladen vanaf vorige week donderdag achter elkaar leest, zie je een bekende dynamiek waarbij media, overheid en publiek elkaar opjagen en de mogelijke gevaren voor de volksgezondheid zo worden uitvergroot dat ze niet meer in verhouding staan tot de reële risico’s.

Het begint de eerste dag nog rustig met ‘Brand Moerdijk’, gevolgd door ‘Veertig meter hoge steekvlammen en zwarte rookpluimen’, maar dan wordt het: ‘Inferno in Moerdijk’, ‘Het leek wel een vulkaanuitbarsting’.

Als de brand geblust is, richten de media zich op de verontrusting bij de bevolking: ‘Niemand vertelt wat het gif was’.

De volgende stap bestaat uit de jacht op informatie over de giftige stoffen: ‘Aard van chemische stoffen onbekend’, ‘ANGSTWOLK’.

De overheid komt onder vuur te liggen: ‘Communicatie met bewoners chaotisch en onduidelijk’. Bovendien was er blijkbaar van alles mis bij het bedrijf: ‘Chemie-Pack eerder op de vingers getikt’. Vervolgens neemt de verontrusting toe: ‘Ik vertrouw dit voor geen meter’.

Het vertrouwen in de overheid neemt af: ‘Geruststelling kwam wel erg snel na brand Moerdijk’, ‘Wetenschappers waarschuwen voor onderschatten impact “chemische bom” ’, ‘Instanties creëren mist rond giftigheid stoffen’. En: ‘Bluswater schadelijker dan gifwolk’. Maar de verontruste hulpverleners en bewoners moeten geduld hebben: ‘Zeker 2 dagen wachten op giftest Moerdijk’.

Er staan hier en daar ook geruststellende verhalen: ‘Wat mis is, is niet per se gevaarlijk’, ‘Bij ongunstige wind had de ramp veel groter kunnen zijn’.

Als vervolgens de onderzoeksresultaten van het RIVM bekend worden gemaakt (‘RIVM: Geen gevaarlijke concentraties gemeten’), leidt dat niet tot geruststelling, maar eerder tot verwarring: ‘Wel degelijk gif in rook en roet’, ‘Giftige stoffen in sloten rond Chemie-Pack’. Gevolgd door de eerste ziekmeldingen: ‘Hulpverleners Moerdijk-brand ziek’.

Dan wordt de: ‘Giflijst toch openbaar’. En dat blijkt een ‘Onoverzichtelijke gifcocktail’. De woede bij de bewoners neemt met de dag toe: ‘De waarheid die willen we horen!’

In dit stadium overheerst vooral de verwarring als gevolg van al die tegenstrijdige boodschappen; ‘Pikzwarte rook, maar geen schadelijke stoffen’.

Terugkijkend vraag je je af waarom het altijd zo moet lopen, terwijl de gezondheidsrisico’s – als we ons aan de feiten houden – toch tamelijk beperkt zijn gebleven en er zeker geen sprake was van een ramp.

Een deel van het antwoord ligt in de onmogelijke positie waarin de overheid zich bevindt: het is ondoenlijk om daags na de brand al een onderbouwde risico-inschatting te leveren.

Ondanks dit gebrek aan feiten dient de overheid wel meteen te handelen. Maar voorzorgsmaatregelen leiden onherroepelijk tot meer verontrusting (‘zie je wel, er is toch iets aan de hand, anders zouden ze dat niet doen’). Dat versterkt weer de roep om totale openheid (‘wij willen de waarheid!’).

Het andere deel van het antwoord ligt bij de media: als het om giftige stoffen gaat slaan de stoppen al snel door (het is giftig, dús een gevaar voor de volksgezondheid, ongeacht de blootstelling en de precieze waarden), verontrustende berichten krijgen meer aandacht dan geruststellende en de voorkeur gaat uit naar toxicologen die de gevaren benadrukken.

Waarom zo’n wantrouwen als er niet stante pede een risico-inschatting kan worden overlegd? Waarom niet meer aandacht voor alle nuances die horen bij de resultaten van wetenschappelijk onderzoek naar risico’s? En vooral: waarom niet meer geduld?

Peter Vasterman is mediasocioloog aan de UvA.