Feiten, maar niet over de minnaars

Een 19de-eeuwse vrouw met een eigen carrière en netwerk in de hoogste kringen? Frederike van Uildriks schreef erover in een saai, maar wel razend interessant dagboek.

Frederike van Uildriks, in ca. 1910. Collectie Eddy ter Braak uit besproken boek

De liefde en de vrijheid, natuurlijk! Dagboek van Frederike van Uildriks (1854-1919). Bezorgd en ingeleid door Mineke Bosch. Uitgeverij Verloren, 438 blz. € 36,-

In de reeks egodocumenten van Uitgeverij Verloren verscheen al een aantal boeiende delen. Hoogtepunten wat mij betreft waren F.A. Hartsens 19de-eeuwse, psychosomatische beslommeringen in Nederlandsche Toestanden. Uit het leven van een lijder, het kinderderdagboek bijgehouden door Otto Cornelis van Eck in de jaren 1791-1797, en niet in de laatste plaats de lijvige autobiografie waarin de Haarlemse kostschoolhouder Willem van den Hull (1778-1858) zijn moeizame bestaan zuchtend vastlegde. Nu verscheen alweer deel 26. Mineke Bosch bezorgde het dagboek van Frederike van Uildriks (1854-1919), onder de titel De liefde en de vrijheid, natuurlijk! Het lezen van de 438 pagina’s van deze editie is tegelijkertijd saai en razend interessant. Een wonderlijke ervaring.

De lerares, emancipatrice, reform- aanhangster, alcoholbestrijdster, vroeg socialiste, rijwielpionier, vertaalster, Rein Leven-praktikante, natuurboekenschrijfster, recensente (en wat niet al) Frederike van Uildriks had uitgesproken opvattingen over het dagboekgenre. Ze beschouwde het bijhouden ervan beslist niet als literaire bezigheid, los van de vraag of haar talenten nu direct op dat gebied lagen (wat ik niet vermoed): ‘Begrijp mij goed, ik bedoel met zo’n dagboek niet allerlei gemoeduitstortingen en weemoedsuitingen of vreugdebetuigingen, maar een eenvoudige, kroniekmatige mededeeling van feiten, een dagboek dat geen slot behoeft en gerust, als het noodig is, door de huisgenooten mag worden gezien.’ Duidelijk wat anders dus dan bijvoorbeeld de intieme zelfbeschouwingen van de ‘lijder’ Hartsen.

Verliefd

Bezorgster Mineke Bosch haalt dit citaat al in de inleiding aan, een eerste teleurstelling bekruipt ons. Feiten en misschien wel cijfers – een mond vol meel? Gelukkig houdt Frederike van Uildrik zich gaande de eerste periode niet helemaal aan haar credo. We zien haar in haar eerste, Groningse dagboekjaren tot over haar oren verliefd op ‘O.’, Jacques Oppenheim (1849- 1929), Gronings gemeentesecretaris, leraar Staathuishoudkunde, later hoogleraar en uiteindelijk lid van de Raad van State. Het wil niet vlotten, O. komt niet los en trouwt met een ander, maar vergeten zal Van Uildrik hem nooit helemaal. Het zegt misschien iets over Frederikes karakter – vasthoudend, van streven vervuld.

Na de O-periode is haar dagboek verder overwegend feitelijk. Doodzonde. Ze komt bijvoorbeeld te wonen in het Friese Gorredijk, waar ze zich voornamelijk in leven houdt met schrijven, recenseren en vertalen. Gorredijk is mijn geboortegrond, met name het aanpalende dorp Terwispel. Verschillende keren vertelt ze een wandeling ‘Terwispel om’ te hebben gemaakt, langs de Compagnonsvaart. Wat aldaar aangetroffen? Onderweg mensen ontmoet? Nog iets interessants gezien? Stond de nieuwe openbare school er al, waaraan vastgebouwd mijn geboortehuis? Of genoot de dorpsjeugd nog onderwijs in het schoolgebouw aan het (door haar terloops genoemde) Schuinpad (Skeanpaed), dat nog steeds bestaat? Frederike zegt er niets over, frustrerend. We krijgen slechts feiten en cijfers. Béétje schoolfrikachtig. Terwispel als bakermat van het vroege socialisme (de veenstakingen in de jaren 1880 waren legendarisch) komt er even bekaaid van af. Een gloedvolle beschrijving van de plaatselijke turbulentie – ze had het op zijn minst kunnen proberen. Niets van dat alles, al kan ik Van Uildriks geen Terwispelhaat aanwrijven: ze wandelde er met kennelijk genoegen; het is een mooie omgeving.

Saai is het vaak, dit dagboek. Maar dus ook razend interessant. Van Uildriks feiten onthullen het beweeglijke leven van een hoogst moderne, uiterst progressieve dame die het ondanks de maatschappelijke beperkingen voor de vrouw van haar tijd ongelofelijk ver schopt. Je kunt haar ontwikkeling op de voet volgen, en daarmee ook het vroege socialisme, alsmede aanpalende bewegingen als Rein Leven, drankbestrijding, kiesrechtbeweging, vrouwenemancipatie, onderwijsverbetering. Vrijwel alle bekende socialisten kende ze van nabij. Troelstra, Domela Nieuwenhuis, P.L. Tak, Nawijn, Van Zinderen Bakker, Ten Bokkel, en ook de multatulianen onder hen: Gerhard, Götze, Van Emmenes.

Keurig

De tweede, grote liefde in haar leven was Vitus Bruinsma (1850-1916). Ook wat hem betreft zondigt ze tegen haar dagboekprincipes, uitzonderlijk, hoe ingehouden, spaarzaam en keurig alles ook blijft. We begrijpen dat ze veel van hem heeft gehouden. De leraar, vrijdenker, socialist en kwakzalverijbestrijder Bruinsma (een langdurig vriend van Multatuli) en zijzelf zetten een in hun dagen scandaleuze stap: hij verliet zijn echtgenote voor haar, ze gingen ongehuwd samenwonen, eerst in Gorredijk, vanaf 1896 in Lochem. Ze hadden veel gemeenschappelijk, en ze zouden samen een aantal populair- wetenschappelijke boekwerken over de natuurhistorie schrijven, samenstellen of vertalen.

Ook in de liefde blijft Van Uildriks een opvallend zelfstandige vrouw, met een eigen carrière. Ze publiceert columns en bijdragen in kranten of in culturele tijdschriften als De Nederlandsche Spectator, De Gids en De Nieuwe Gids. Met grote regelmaat houdt ze spreekbeurten over diverse onderwerpen. Overal in De liefde en de vrijheid, natuurlijk! zien we een vrouw die bijzonder goed weet wat ze wil en de koe bij de horens vat. Soms op het huiveringwekkende af. Ik noem haar bijna manische zwemdrang. Ze gaat in haar Achterhoekse periode daarin zo ver dat ze in de winter om de dag met een bijl naar de bevroren Berkel fietst om zich daar in een eigenhandig geopende bijt te storten. ‘Ik ben de eenige. Heerlijk gezond en versterkend!’

Die geest. Heel vrij zou je zeggen, en dat is Frederike van Uildrik ook. Maar er zijn grenzen. Als in 1901 het uitgevershuis Van Holkema en Warendorf haar verzoekt Ernst von Wolzogens Das Dritte Geschlecht te vertalen – de titel verwijst naar homoseksualiteit – vindt ze het te ‘schuin’ om er haar naam als vertaalster bij te zetten, en ze ziet er een dag later helemaal vanaf. Mineke Bosch bezorgde het Van Uildriks-dagboek voorbeeldig, inleiding en voetnoten comme il faut. Ze noemt in haar inleiding een lijst van door onze dagboekschrijfster gelezen boeken. Die vond ik in De liefde en de vrijheid, natuurlijk! niet terug. Jammer.