De ontdekking aan de hemel

Galileo Galilei was als sterrenkundige een wonder op zichzelf, maar hij gooide vaak zijn eigen glazen in, schrijft Dirk van Delft, directeur van museum Boerhaave in Leiden.

Galileo Galilei licht zijn astronomische ideeën toe. Een schilderij van Felix Farra uit 1873 / The Art Archive GALILEO Galilei, 1564-1642 Italian mathematician astronomer and physicist, explaining his new research at the University of Padua, Italy, painted 1873 -- FARRA, Felix : 1845-1919 : Mexican Photo Credit: [ The Art Archive / National Palace Mexico City / Gianni Dagli Orti ] The Picture Desk

J.L. Heilbron: Galileo. Oxford University Press, 508 blz. € 24,10

David Wootton: Galileo. Watcher of the Skies. Yale University Press, 328 blz. € 30,10

In maart 1610 publiceerde Galileo Galilei in Venetië de Siderius Nuncius of ‘Sterrenbode’. Dit in omvang bescheiden boekje, in feite een in allerijl in elkaar gezet verslag van een serie waarnemingen die hij die wintermaanden met zijn zelfgemaakte telescoop aan de hemel had verricht, sloeg in als een bom. Binnen een week was de complete oplage van 550 exemplaren weg. De gepresenteerde feiten waren dan ook verbluffend. Het maanoppervlak was niet gaaf en glad, zoals Aristoteliaanse filosofen wilden, maar bleek bezaaid met kraters. Venus kende schijngestaltes, net als de maan. En het grootste nieuws: om Jupiter cirkelden vier manen. De onveranderlijke en perfecte bovenmaanse wereld van de sterren, zo luidde de conclusie, was een illusie.

In het boek durft Galilei het aan zich als aanhanger van Copernicus te etaleren, de Poolse kanunnik die in 1543 had geschreven dat de aarde om de zon draait, en niet andersom. Een tactische meesterzet was het (met toestemming) opdragen van de Siderius Nuncius aan Cosimo de Medici, groothertog van Toscane. De vorst beloonde Galilei met een aanstelling als filosoof en onderzoeker aan het Florentijnse hof. Die positie bood twee voordelen: als filosoof stond Galilei in hoger aanzien dan daarvoor als hoogleraar wiskunde in Padua en ook was Florence op het pauselijke Rome georiënteerd. Wilde Galilei zijn missie volbrengen – iedereen overtuigen van de waarheid van Copernicus – dan kon hij niet om de katholieke kerk heen. En dus gaf hij zijn veilige Venetiaanse academische positie op en zocht hij willens en wetens de confrontatie met Rome.

Dat laatste is althans de opvatting van de Amerikaanse cultuurhistoricus David Wootton in zijn soms drieste biografie Galileo; Watcher of the Skies. De vierhonderdste verjaardag van de Siderius Nuncius heeft in combinatie met het internationale jaar van de astronomie 2009 een stortvloed aan Galilei-boeken opgeleverd, met twee uitschieters: een gedurfde studie van de alfa Wootton en een evenwichtiger, wiskundig dieper gravende biografie van de eveneens Amerikaanse wetenschapshistoricus J.L. Heilbron. Over Galilei, sleutelfiguur en smaakmaker van de Wetenschappelijke Revolutie, raken de kenners nooit uitgeschreven, zo complex zijn de man en zijn leven.

Beide studies hebben iets nieuws te bieden. Bij Heilbron is dat Galilei’s ferme worteling in de Renaissancecultuur van het eind zestiende-eeuwse Toscane, terwijl Wootton zich in zijn analyse van de rol van het Copernicanisme hier en daar op dun ijs waagt en om tegenspraak vraagt.

Galilei, in 1564 geboren in Pisa, leidde de eerste helft van zijn leven een tamelijk anoniem bestaan als wiskundige. Weliswaar ontwikkelde hij in zijn jaren als hoogleraar in Padua (1592- 1610) baanbrekende inzichten op het gebied van mechanica en (val)beweging, en deed hij praktisch onderzoek naar de sterkte van materialen, maar publiceren deed hij nauwelijks.

Brillenmaker

De uitvinding van de telescoop, in 1608 door brillenmaker Hans Lipperhey in Middelburg, betekende de ommekeer. Zodra hij ervan hoorde, stortte Galilei zich op het nieuwe instrument, bekwaamde zich in het lenzen slijpen en bouwde telescopen van een kwaliteit en kracht waar niemand aan kon tippen. In de zomer van 1609 demonstreerde hij op de klokkentoren van het San Marcoplein aan een geïmponeerde Venetiaanse Senaat de militaire waarde van het instrument: vijandelijke schepen dienden zich uren eerder aan.

Van veel fundamenteler belang dan de belofte van effectievere uitkijktorens waren Galilei’s ontdekkingen aan de hemel. Op het spel stond niets minder dan het wereldbeeld, de positie van de mens in de kosmos. Waarom wachtte Galilei dertig jaar met het publiceren van zijn studie over vallende lichamen en kogelbanen? Een brandende kwestie. Wootton zoekt het antwoord in Galilei’s aspiraties. Hij greep hoog, heel hoog. Zijn ideeën over beweging waren onlosmakelijk verbonden met een grootser, veel wezenlijker project: Copernicus. Prestige en roem, het ontkrachten van Aristoteles, de bouw van nieuwe instrumenten, het ontketenen van een revolutie in de fysica: het was mooi maar het was niet genoeg. Vanwaar die overgave aan Copernicus, dat radicale zoeken van de confrontatie met zijn tegenstanders?

De oplossing zoekt Wootton in Galilei’s persoonlijkheid. In het systeem van Copernicus is de aarde een van de planeten, de zon slechts een ster. Het was gedaan met de speciale positie van de mens. Goed en kwaad, onsterfelijkheid en dood, verlossing en verdoemenis – in het licht van de kosmos verloren zulke waarden hun relevantie. Wootton waagt zich aan een psychologische verklaring. Galilei, zo stelt hij, wilde ‘ontsnappen aan een wereld waarin de doem van zijn [harteloze] moeder zich al te sterk manifesteerde’ en het universum volgens Copernicus bood daartoe de mogelijkheid. Vergezocht en zwak onderbouwd, en Woottons provocerende bewering dat Galilei onverschillig stond tegenover religie, stuit op hetzelfde bezwaar.

Galilei, daarover zijn Wootton en Heilbron het roerend eens, was een groot vernieuwer maar ook een zelfzuchtige, eigengereide lastpak die niet wilde luisteren, zich weigerde te voegen naar andermans regels, blind was voor diplomatieke signalen en die in het debat met de kerk zijn hand overspeelde. Illustratief voor het laatste is Galilei’s bejegening van de Jezuïeten. Toen in 1618 drie kometen aan de hemel verschenen en de Jezuïet Orazio Grassi dit spektakel aangreep om Aristoteles aan te vallen, weerhield dat Galilei er in 1622 niet van in zijn boek Il saggiotore (‘De keurmeester’) gehakt te maken van Grassi. De Jezuïet had zich een aanhanger betoond van het systeem van Tycho Brahe, waarin de planeten om de zon draaiden maar nog altijd met de aarde als centrum.

Via Grassi wilde Galilei alle Jezuïeten aanpakken, uit wraak voor hun lakse houding bij de veroordeling in 1618 van Copernicus. Dat was dom. Via de Jezuïeten, die wetenschap hoog in het vaandel hadden, had Galilei de kerk voor Copernicus kunnen winnen. Door de aanval te openen, kon hij dat vergeten. Sterker, hij vroeg om onheil.

Dat kwam nadat Galilei in 1632 zijn Dialogo publiceerde. In dat boek bediscussiëren drie heren de voors en tegens van twee wereldsystemen, respectievelijk met de aarde en de zon in het middelpunt. Salviati is overtuigd Copernicaan, Sagredo de onpartijdige intellectueel en Simplicio is de onverbeterlijke en niet al te snuggere aanhanger van Aristoteles. Het zal niet verbazen dat het Copernicanisme als overwinnaar uit de bus komt. Daarbij steunde Galilei, bij gebrek aan astronomische argumenten, zwaar op zijn ondeugdelijke theorie over het ontstaan van eb en vloed.

Paus Urbanus VIII reageerde woedend. Tijdens een ontmoeting in 1624 met zijn oude vriend Galilei had hij zijn fiat gegeven voor een boek over het Copernicanisme, mits het niet als enige waarheid werd opgevoerd en erkend werd dat Gods handelen ons begrip te boven gaat. Galilei had deze afspraken aan zijn laars gelapt en bovendien de woorden van de paus door Simplicio laten uitspreken, de figuur die het steevast mis had.

Paus Urbanus sloeg hard terug. Hij rustte niet eer de Dialogo op de Index werd geplaatst en Galilei was aangeklaagd wegens ketterij. De Inquisitie wilde de relatie met Florence niet te zeer op de proef stellen en stuurde aan op een compromis. Galilei, die aanvankelijk van geen wijken wilde weten, bekende na enkele verhoren slordig met de afspraak met de paus te zijn omgegaan en, door intellectuele ambitie verblind, het zwakkere argument als het sterkste te hebben voorgesteld.

Inquisiteur

Vanwaar dit toegeven? Volgens Wootton, die zich baseert op een document uit die periode dat pas in 2001 door het Vaticaan is vrijgegeven, confronteerde de inquisiteur Galilei op een cruciaal moment in het proces met de beschuldiging dat hij in Il saggiotore het atomisme had gepropageerd en daarmee de transsubstantiatie (de verandering van brood en wijn in het lichaam en bloed van Christus) had ontkend. De kerk was bereid die extra beschuldiging te laten rusten in ruil voor Galilei’s bekentenis dat hij de waarde van Copernicus te rooskleurig had voorgesteld. Het proces eindigde ermee dat een exemplaar van de Dialogo voor Galilei’s ogen werd verbrand, dat hij het Copernicanisme afzwoer en levenslang huisarrest kreeg. ‘E pur si muove’ (‘en toch beweegt zij’), zo benadrukken Wootton en Heilbron, heeft hij nooit gezegd.

Daarmee is Woottons kruit verschoten. Wat Heilbron heeft toe te voegen is een overzicht van het vervolg op deze veroordeling, die pas in 1992 met een excuus van paus Johannes Paulus II werd rechtgezet. Heilbron eindigt met het in het vooruitzicht stellen van de heiligverklaring van Galilei. De eisen zijn geen probleem. De man was een wonder op zichzelf en de mooiste relikwieën, de originele telescopen die in 1610 de hemel op aarde brachten, zijn in het Museo Galileo in Florence te bewonderen.