De onmacht, altijd die onmacht

Schilder en filmer Julian Schnabel probeert wat hem lief is te vangen in groot formaat polaroids. Ze zijn vanaf morgen te zien in het Fotomuseum Den Haag.

De camera is zo groot als een ijskast. De lens heeft het formaat van een hand. De foto’s, die door middel van een rolsysteem eruit worden getrokken, zijn indrukwekkend: het papier is dik en taai en aan de bovenrand van iedere afdruk zijn inktachtige vegen zichtbaar, afkomstig van de stroperige mix van ontwikkelaar en oplosmiddel van zilverzout. Het resultaat is nauwelijks een foto te noemen, eerder een instant schilderij. Geen wonder dat de New Yorkse kunstenaar Julian Schnabel zo verliefd werd op zijn zeldzame, handgemaakte 20×24 polaroidcamera uit de jaren zeventig.

Vanaf 2002 begon Schnabel, die in de jaren tachtig bekend werd door zijn grote, grove schilderijen en in de jaren negentig doorbrak als filmregisseur met films als Basquiat (1996) en later met The Diving Bell and the Butterfly (2007), voor zijn eigen plezier zijn vrienden en familie te fotograferen. Daarnaast legde hij zijn schilderijen op tentoonstellingen vast en fotografeerde hij zijn ateliers in Montauk en New York en de kamers van het Palazzo Chupi, het knalroze gebouw dat Schnabel zelf ontwierp en inrichtte in Manhattans ‘Lower West Side’.

Wat begon als een hobby werd steeds meer een serieuze aangelegenheid. In totaal maakte Schnabel in de afgelopen jaren 400 foto’s met zijn camera, ieder met een formaat van 50 bij 60 centimeter. Een deel van deze groot formaat polaroids exposeerde hij al eerder in galeries in München en Düsseldorf en in Londen. Maar vanaf morgen zijn tachtig van deze beelden, waarvan een deel is opgenomen in het recentelijk verschenen fotoboek Julian Schnabel Polaroids, voor het eerst te zien in Nederland in het Fotomuseum Den Haag.

Opvallend is dat met name de portretten, die Schnabel van zijn familieleden en vrienden maakte, eruit springen. Zo maakte hij in 2007 een mysterieuze zwart-witopname van Stella, een van zijn dochters afkomstig uit zijn eerste huwelijk met Jacqueline Beaurang, die haar vader met een borende blik aankijkt. Ook zijn opname uit 2004 in Montauk van Cy en Olmo, de tweeling die hij later kreeg met de Spaanse actrice Olatz Lopez Garmendia, is prachtig: tegen een kleurrijke zomerse achtergrond staren de twee jongens, de een de arm losjes om de schouder van de ander, voor zich uit. Ook heel onverwacht is het duistere portret van de beroemde operazanger en dirigent Plácido Domingo: donker, mysterieus en licht gekweld kijkt hij de fotograaf aan. Het zijn, net als een aantal van de foto’s die Schnabel maakte van beroemdheden als Mickey Rourke, Christopher Walken en Lou Reed, krachtige beelden.

Toch is niet al het werk dat nu in het Fotomuseum hangt, even sterk. Zo worden sommige portretten ronduit potsierlijk zodra Schnabel zelf, in innige omarming met Christopher Walken of de Japanse kunstenaar Takashi Murakami voor de camera staat. Hoewel ze met zo’n indrukwekkende camera zijn gemaakt en het zwart-wit en de sepiakleuren authentiek aandoen, zijn het niet meer dan kiekjes – vooral leuk voor de maker zelf. Ook de opnames die Schnabel maakte van zijn interieur thuis en van zijn eigen kunstwerken in zijn ateliers, missen diepgang. De composities zijn niet bepaald zorgvuldig opgebouwd, waardoor het lijkt alsof Schnabel deze foto’s in eerste instantie heeft gemaakt vanuit de behoefte zijn eigen creaties voor zichzelf te documenteren.

Het is duidelijk dat Schnabel als fotograaf zoekende is en zelfs moeite heeft om zijn eigen grenzen te bewaken. Komt dat omdat een schilder niet ook een fotograaf kan zijn? Of dat een filmmaker misschien minder oog heeft voor het bevroren beeld? Dat Schnabel een multitalent is, heeft hij allang bewezen. Maar wie naar zijn leven kijkt, ziet dat hij ook een man is die altijd heeft gewerkt vanuit de impuls, met als gevolg dat hij zeer gevarieerd werk kan leveren.

Begin jaren tachtig brak Schnabel als schilder door met lompe, grove schilderijen die hij had beplakt met scherven serviesgoed. Ook verwerkte hij andere voorwerpen in zijn schilderijen en gebruikte hij soms doeken gemaakt van fluweel of dierenhuiden. De energie en intensiteit van de werken deden sterk denken aan de stijl van Pollock. Ze werden destijds binnen de kunstwereld warm onthaald. Tegelijkertijd wekte Schnabel in diezelfde kunstwereld afkeer op, mede omdat hij maar al te graag over zijn werk praatte en zichzelf opblies door opmerkingen te maken als: „I’m the closest thing to Picasso that you’ll see in this fucking life.”

Toen Schnabel vervolgens in de jaren negentig besloot een nieuwe draai te geven aan zijn carrière, sprong hij met het maken van de film Basquiat in het diepe. Deze film en het daarop volgende Before Night Falls kregen redelijke kritieken, net als de documentaire Lou Reed’s Berlin (2007). Zijn laatste film Miral (2010) werd echter een stuk minder gunstig ontvangen terwijl hij, drie jaar daarvoor in Cannes, voor The Diving Bell and the Butterfly nog de prijs voor beste regie ontving. Voor deze succesvolle film liet Schnabel zich inspireren door het boek van voormalig Elle-hoofdredacteur Jean-Dominique Bauby die op zijn 43ste een hersenbloeding kreeg en daarna slechts alleen met zijn linkeroog kon knipperen. Schnabel verwerkte het levensverhaal van Bauby door een groot deel te filmen vanuit het beperkte perspectief van het linkeroog van Bauby. Een geniale zet, waarover hij in 2007 in een interview opmerkte: „Ik heb deze film gemaakt op dezelfde manier als ik mijn eerste serviesschilderij heb gemaakt. Ik had geen idee wat ik aan het doen was.”

Dat laatste is precies het soort opmerking dat Schnabel als kunstenaar typeert; ze moet in feite tweeledig worden opgevat. Aan de ene kant stelt hij zich kwetsbaar op en is hij zelf de eerste die zijn eigen kunstenaarschap ondermijnt. Maar door aan te geven dat hij geen idee heeft wat hij eigenlijk aan het doen is, geeft hij ook aan: zie mij, ik voldoe aan het ideaal van het creatieve genie, ik rommel wat aan en ondertussen komt er goud uit mijn handen.

In het geval van The Diving Bell and the Butterfly, wat volgens Schnabel een manier was om zijn angst voor de dood te verwerken, is dat laatste wonderwel gelukt. Via prachtige, poëtische beelden laat hij, vanuit het gezichtpunt van Bauby, zien dat het leven – zelfs als je zit opgesloten in je eigen lichaam – toch de moeite waard blijft. In een interview in 2007 verklaarde Schnabel dat hij met deze film dan ook uiting wilde geven aan de frustratie die hij had ten opzichte van zijn eigen 92-jarige vader, die in zijn sterfbed nog doodsangsten had uitgestaan en waarbij hij als zoon het gevoel had tekort te zijn geschoten. „Toen mijn vader stervende was, wilde ik in zijn hoofd kruipen”, aldus Schnabel in een interview in 2007. „Ik zei: ‘Papa!’ Terwijl er prut uit zijn mond kwam lopen. Ik weet niet of hij mij wel of niet kon zien, maar ik vroeg me af wat hij zag. We zien altijd alleen van buitenaf andere mensen sterven.”

Die onmacht, dat is waar het Schnabel uiteindelijk om gaat in al zijn werk, of het nu zijn schilderijen, beeldhouwwerken, films of foto’s betreft. Dat verklaart ook waarom in het Fotomuseum Den Haag uiteindelijk de serie ‘Crazy People’ het meest interessant is. Met deze foto’s van geesteszieken, die Schnabel maakte van originele foto’s afkomstig uit de negentiende eeuw, wil hij, zoals hij het zelf formuleert, ‘voorbije momenten weer laten herleven’.

Door het verplaatsen van het verleden naar het heden probeert Schnabel de werkelijkheid en het daarmee verbonden besef van vergankelijkheid te bestrijden. In een interview met Newsweek in 2007, zei hij over zijn kunstwerken: „Er is een strijd gaande, in mijn geest, tussen het beeld dat ik voor ogen heb en het object. De ruimte daartussen is wat mij interesseert.”

Nu hij zich manifesteert als fotograaf, zou je kunnen zeggen dat Schnabel eindelijk in staat lijkt die kloof tussen de idee en de werkelijkheid te dichten. Door een polaroidcamera te gebruiken komt hij, door het directe resultaat die deze levert, dichter bij de werkelijkheid dan voorheen. Maar toch is ook hier weer de afstand. Want uiteindelijk vervormen de chemische processen zodanig het beeld, dat die werkelijkheid weer wordt omgebogen tot een schilderachtig beeld, dat juist ver weg staat van de realiteit. Het is een treffende paradox die aangeeft waarom Schnabel, juist met deze camera, zich heeft willen richten op zijn eigen leefwereld. Door zich toe te eigenen wat hem dierbaar is, wilde hij de kloof dichten. Daarom portretteerde hij zijn kinderen, zijn vrienden en zijn eigen creaties. In een poging het mooiste in zijn wereld te behouden, in de wetenschap dat zoiets onmogelijk is.

Julian Schnabel. Polaroids. T/m 27 maart 2011. Samenstelling door Petra Giloy-Hirtz in samenwerking met diCHromA Photography (Madrid) en Bernheimer Fine Art Photography (München-Londen). Julian Schnabel. Polaroids (Prestel, € 39,95).