De hoeri is eigenlijk een witte druif

Guido Derksen, Martin van Mousch en Jop Mijwaard: Geïllustreerde Atlas van het Hiernamaals. Nieuw Amsterdam, 224 blz. €27,50

Hemel en hel zijn niet meer wat ze geweest zijn. Tegenwoordig houdt zelfs de paus er vage ideeën over het hiernamaals op na, staat in het laatste hoofdstuk van Geïllustreerde Atlas van het Hiernamaals. In 2007 verklaarde paus Benedictus XVI dat het deel van het voorgeborchte van de hel waar de zielen van ongedoopte kinderen terechtkomen niet langer bestond. Nu gaan ongedoopte baby’s rechtstreeks naar de hemel. Wat ze daar aantreffen, is in de katholieke geloofsleer vaag.

Eeuwenlang dachten katholieken dat ze in de hemel gevleugelde, op mensen gelijkende engelen zouden ontmoeten, maar de Katholieke Encyclopedie uit 1967 meldt al dat engelen ‘zuiver geestelijk zijn en niet langer uit vluchtige, op een vuur gelijkende of nevelige substantie bestaan.’

In de Geïllustreerde Atlas van het geloof hebben Guido Derksen en Martin van Mousch de vele religieuze voorstellingen van de hellen en hemels op de wereld zorgvuldig in kaart gebracht. Hierbij hebben ze het begrip religie ruim opgevat. Zo wijden ze ook een paar bladzijden aan het ‘utopisch socialisme’ en komt zelfs Karl Marx, de man die religie als een verdovend middel beschouwde, erin voor. Marx geloofde dat het kapitalisme uiteindelijk zou leiden tot een arbeidersparadijs. Het mooie van Marx’ hemel op aarde is natuurlijk dat die in de Sovjet-Unie en andere communistische landen al gauw ontaardde in een hel.

Het marxistische huwelijk tussen hemel en hel blijkt een uitzondering: de meeste geloven situeren hemel en hel niet op aarde, maar elders, eronder of erboven bijvoorbeeld. Waar ze zich ook bevinden, vaak lijken de hellen en hemels op elkaar. De narigheid in de hel is eender: de verdoemden worden dagelijks gevild, geroosterd, gespleten, in stukken gehakt enzovoorts.

Soms is het alsof de auteurs balorig worden door de helse en hemelse eentonigheid. ‘Naast de heerlijke paradijzen van de Renaissance brandde de hel onder de voeten van de gewone sterveling overigens stevig voort’, schrijven ze. Door de grote gelijkenissen lijken ook de kaarten die Jop Mijwaard van de hiernamaalsen maakte voor de atlas veelal op elkaar. Tussen hoge, onherbergzame bergketens liggen bijvoorbeeld vaak paradijselijke tuinen, zoals de Tuinen van Vishnu in de hindoeïstische en boeddhistische ‘werelden aan gene zijde’.

Hapsnap

Toch zijn er ook verschillen waaruit een wet van het hiernamaals valt af te leiden: hoe grimmiger het geloof en hoe kwaadaardiger het bijbehorende opperwezen, des te helser de hel. Zo geloofden de oude Grieken en Romeinen in goden wie niets menselijks vreemd was en die zich hapsnap met de wereld bemoeiden. En dus was de Griekse hel niet de ergste: op een enkeling na die de goden had getart, leidde iedereen na zijn dood een donker, koud bestaan als vage schim in de Hades, meer niet.

Maar het christendom met zijn almachtige maar volstrekt onredelijke God die zijn gelovigen voortdurend op de proef stelt, kent een gruwelijke hel. Vooral ongelovigen hebben het daar te verduren. Zo loopt Mohammed volgens Dante in zijn Goddelijke Komedie er rond met een van ‘kin tot aarsgat’ opengereten lijf. ‘Zijn darmen hangen tussen zijn benen en zijn hart, longen, lever en milt zijn zichtbaar, evenals de walgelijke buidel die al het voedsel dat men tot zich neemt in drek verandert.’

Zo mogelijk nog grimmiger is de islamitische hel. Die kent maar liefst zeven afdelingen, met elk hun eigen straffen die afhangen van de zonden van de verdoemden. ‘Geen misstap zo klein of je kunt er een straf voor verwachten’, staat in de atlas. Overspeligen zitten in een gat waar de vlammen uitslaan, leugenaars hebben een ijzeren haak in hun mondhoek die er aan de achterkant van hun nek weer uitkomt. Enzovoorts, enzovoorts.

Aramees

Ook de islamitische hemel heeft zeven afdelingen. Uitvoerig gaan Derksen en Van Mousch in op de bekendste genieting in de voor vrouwen ontoegankelijke zevende hemel: de 72 hoeri’s die de martelaren van het islamitische geloof te wachten staan. Hoeri is Arabisch voor ‘schoonheid’ of ‘puurheid’ en gewoonlijk worden de 72 hoeri’s geïnterpreteerd als 72 maagden. Maar recent linguïstisch onderzoek toont aan dat veel woorden uit de vroegste koranversies van Aramese en niet van Arabische oorsprong zijn, schrijven de auteurs. En in het Aramees betekent betekent hoeri ‘wit’ en dus zou de beloning voor de martelaren oorspronkelijk uit 72 witte druiven bestaan.

Maar hiermee is de hoeri-kwestie toch nog niet helemaal bevredigend opgelost. Want als hoeri in het Aramees ‘wit’, overigens de kleur van maagdelijkheid, betekent, waar komen de druiven dan vandaan? Bovendien is een tros druiven zelfs voor een woestijnbewoner een karige beloning voor het martelaarschap. Stel je voor: je sterft een gruwelijke marteldood voor het geloof, je arriveert in het paradijs waar groente en fruit volgens de koran toch al in overvloed aanwezig zijn en dan krijg je een tros druiven als beloning? Dan voel je je toch bekocht.

Maar wat de oorspronkelijke betekenis van hoeri ook is, nu geloven martelaren in ieder geval dat ze in de hemel worden opgewacht door 72 maagden, aldus de atlas: ‘Dat de parelende druiven in latere koranversies en andere paradijsbeschrijvingen vervangen zijn door maagden, toont aan dat niets menselijks de moslim vreemd is.’