De ganzenhoedster

Er was eens een prinses die zou trouwen met een prins uit een ver land. Voor de reis kreeg ze een pratend paard mee. Het paard heet Falada. Ook een onaardig dienstmeisje ging mee. Ze pikte Falada en de kleren van de prinses in. Bij het kasteel dacht de prins dat het dienstmeisje de prinses was.

De nepprinses vroeg om een klusje voor de echte prinses. Zij moest ganzen gaan hoeden. Falada’s hoofd werd afgehakt en in de poort gehangen omdat de nepprinses bang was dat hij alles zou verklappen. De echte prinses praatte elke dag met Falada’s hoofd.

De echte prinses plaagde Koert waarmee ze de ganzen hoedde. Koert vertelde de koning over alles. De koning ging op onderzoek uit en ontdekte dat zij de echte prinses was. Hij vertelde het de prins. Ze gingen die avond met de echte prinses eten en de koning zei tegen de dienstmeid: „Wat zou jij doen als iemand de prins bedriegt?”

De dienstmeid zei: „In een ton stoppen met spijkers aan de binnenkant”. „Dat zal bij jou gebeuren”, zei de koning „want jij bent de bedriegster”. Daarna trouwden de prins en de prinses en ze leefden nog lang en gelukkig.