De dunne zee en velden zo leeg

Albertina Soepboer: de trektocht. Contact, 143 blz. € 21,95

Er is poëzie die zich beter laat inademen dan lezen. Poëzie die lijfelijk is, die het lichaam raakt. Als een taal van vingers die, zoals Albertina Soepboer het in haar bundel Zone (2005) omschreef, met woorden spelen ‘waar geen zijkanten in te vinden zijn’. Zo’n taal doet geen mededelingen, maar roept beelden op.

In haar nieuwe bundel, de trektocht, vormen 68 sfeertekeningen in rijmloze sonnetvorm een verhaal dat maar geen verhaal wil of kan worden. Het is ijle taal, die een ijle greep in de werkelijkheid doet. Kort voor het einde van de bundel lijken de reeksen ‘grondwater’ en ‘plek’ de bestemming van Soepboers trektocht te bevestigen. Er is dan sprake van een zoontje en van een geliefde die alle eieren hard kookt. Maar de bundel sluit af met de reeks ‘vogels’.

De vier gedichten van die serie zetten alles weer op losse schroeven: ‘ik tel de dingen bij elkaar // het maakt zich los – de draad onder het beeld / langzaam begin ik met dat vragen – hoe / dat zo is dat zo – dan de stilte in mijn adem // als de lijn dit punt weer breekt – is het een zeil / een vleugel, het hindert de wind niet – de vogel / vliegt snavelvol – aarde daaronder – verder’.

Kastlijntjes en een enkele komma of dubbele punt zijn de enige leestekens in de trektocht, en hoofdletters ontbreken. Dat desoriënteert, zoals een landschap zonder markeringspunten. De taal van Albertina Soepboer is in deze bundel ook bovenal landschappelijk, maar – de titel zegt het al – de bron van die taal ligt niet vast. Nu eens staat de dichter aan de zee bij Harlingen, dan weer toeft ze in Rome, Avalon of het Verre Oosten. In bijna zeventig sfeervolle brokstukken toont ze haar wereld en, meer dan gedachten, haar stemmingen. Illustratief hiervoor is het gedicht ‘wortel’:

dan gebeurt het: het beweegt in een leeg aardappelveld

de volle zomer blaast opgelucht op haar keukenstoel uit

de wind is dansende derde – ik zwijg – de bus rijdt verder

in de centrifuge van mijn maag, in de hand steekt de tijd

het valt dan zo verder dit seizoen in – ik heb de vogels al

gezien boven de dunne zee, ik heb het van stof op de wind

al gehoord en begrepen – de herfst is tussenstop in de bus

die nu in de velden ronddendert, mij vloert in haar nawee

deze laatste stop is mist: het doorzichtig leven op uiteinde

waar je grijs kunt benoemen – al mijn nachtdromen openen

en ik denk dat ik slaap en iets bewaar in mijn vingers voor

het gespannen web van een spin – suiker voor later in koffie

mijn tas met de ongelezen boeken – en ik klim de ochtend in

nu de winter komt, nu de velden zo leeg zijn dat je zilver ziet

Poëzie bedrijven is anders zien en dus anders kijken, maar vooral ook anders benoemen. Dat is precies wat Albertina Soepboer hier doet. De ‘dunne’ zee – dat heb ik nooit zelf gezien, maar nu ik met haar meekijk vangt het beeld mijn blik. En dan die velden die ‘zo leeg zijn dat je zilver ziet’.

De bundel telt 68 sonnetten, schreef ik, maar dat is een halve waarheid. 34 van de gedichten zijn oorspronkelijk in het Fries geschreven. Die Friese versies gaan in de trektocht vergezeld van hun Nederlandse vertaling; daarnaast zijn er 34 oorspronkelijk Nederlandse sonnetten. Melle Hammer, de vormgever van de bundel, heeft de Friese gedichten in een lichtere tint maar, zo op het oog, wel vetter laten afdrukken. Daardoor heeft het Friese deel van de bundel een eigen identiteit, zonder dat de vormgeving zich – zoals bij eerdere Hammer-foefjes – storend opdringt.

Extra aandacht verdient de indeling van de trektocht. Die is allerminst toevallig. ‘Pleisterplaatsen’ heet de eerste helft. ‘Tijdelijke verblijven’ dus. In dit deel van de bundel wordt het meest en het verst gereisd. ‘Het nest’ is de titel van de tweede helft, en die betreft niet alleen het thuisnest. In deze helft nemen de vogels het initiatief uiteindelijk over. Ook dat is niet toevallig in een bundel die opent met ‘de vogelvrouw’. In dat vers wordt een vertelling aangekondigd – sterker nog, het gedicht vertelt hoe die vertelling moet gaan.

zo moet het verhaal gaan: op een dag zien we elkaar

jarenlang waren we onderweg, de inkt woonde

onder de basaltstenen, ze hipte erover heen of

moet ik schrijven dat ze klauterde, geen vorm had

[…]

onder schuim van de golven onder eeuwige lijnen

tuimelt het blauw en daarom zet de zee haar stem bij

wat ik hoor, gelijk de ruis: de aarde van dit verhaal

Het verhaal moet immers, zoals alle dichtkunst van waarde, veroverd worden. Dat is geen sinecure, maar het loont. In de trektocht toont Albertina Soepboer een volstrekt eigen idioom en beeldtaal. Zulke poëzie verdient koestering.