De duivel is zo kwaad nog niet

Faust is een oude bekende op het toneel. Bij het Nationale Toneel is hij nu een personage dat twijfelt aan zijn tedere gevoelens van liefde. De duivel is een aimabele satan.

Liefde, dat is niet de bedoeling. Lust wil doctor Faust. Dat heeft de duivelse Mefistofeles hem beloofd. Maar nu hij de jonge, lieftallige Gretchen ontmoet, raakt hij vervuld van gevoelens die niets met snelle lust te maken hebben.

Faust schrikt. De duivel zou hem gelijkstellen aan God en hem geven wat hij maar wenst: vrouwen, geld, inzicht in de samenhang van de wereld. Bovendien is hem voorgespiegeld vrij van elke moraal te zijn. De magiër, wonderdokter en Schwarzkünstler gaat een verbond aan met de duivel, die in ruil over zijn ziel mag beschikken. In dit duivelspact past geen eerlijk gevoel als oprechte liefde.

Maar deze Faust, zoals die wordt uitgebeeld door het Nationale Toneel, heeft wel een geweten en wordt daardoor heen en weer geslingerd tussen zijn hang naar het demonische en zijn emoties. In de Faust-traditie is deze invalshoek, en dus de verwarring van de titelheld, uniek. Mefistofeles moet dan ook grote moeite doen om Faust zover te krijgen. Of, zoals acteur Stefan de Walle die Mefistofeles vertolkt, het zegt: „Het kwaad kent geen geweten. Ik probeer Faust zijn geweten te ontnemen. Hij moet amoreel worden. Om dat te bereiken benader ik hem innemend. Hij moet me aanvaarden als zijn metgezel.”

Acteur Jaap Spijkers in de titelrol van Faust I&II toont fraai de ontdaanheid die Faust bevangt. Zó amoreel krijgt Mefistofeles zijn slachtoffer dus niet. Het gezelschap repeteert in de Koninklijke Schouwburg in Den Haag. Het decor bestaat uit een houten plankier. Licht is werklicht. Regisseur Johan Doesburg neemt met de acteurs minutieus de tekst door, die bewerkt en vertaald is door Janine Brogt.

We zijn in de beginscène. De oude Faust, rijdend in een rolstoel, is levensmoe en de wanhoop nabij. Hij heeft zich opgesloten in zijn studeerkamer, omringd door boeken. Vrouwen heeft hij altijd op afstand gehouden. Nu hij oud is, beseft hij de onvervuldheid van zijn bestaan. Voor regisseur Johan Doesburg zijn „de onvrede en desillusie die heersen in de hedendaagse samenleving” de reden om Faust nu op te voeren. Doesburg: „De mens heeft de beschikking over alles wat hij zich wenst. Geld, dure modeartikelen, luxe hotels, verre reizen. Men kan verjongingskuren ondergaan. Toch is er veel ontevredenheid.”

De magiër Faust verwoordt zijn onlust zo: „Mijn bestaan is een ondraaglijke last. Ik wil dood, ik haat mijn leven.”

Tijdens het repeteren benadrukt Doesburg dat het verbond met de duivel niet cynisch gespeeld mag worden. Hij zegt dat Faust „een droom heeft, dat hij op zoek is naar een nieuw leven, naar bezieling”. Maar hiervan wil Mefistofeles niets weten. Hij is immers de immorele duivel die maar één bedoeling heeft met Faust: hem ertoe verleiden in opstand te komen tegen God. Faust is onderdeel van een weddenschap.

De Mefistofeles van De Walle is een aimabele satan. Hij lokt Faust in de val en zet daartoe al zijn verleidingstactiek in. Listig als een slang, begripsvol als een vriend. Faust kan geen weerstand bieden aan Mefistofeles’ verleidelijke voorspiegeling van een gelukzalig leven. Faust zegt: „Ik wil alles, rijp, rot en groen. En eeuwig jonge groene bomen.” Kalm antwoordt de duivel: „Dat lukt wel, daar is aan te komen.” Faust en de duivel zijn verwikkeld in een beschaafde gedachtenwisseling. Met een druppel bloed dat De Walle met een felle beweging van zijn tanden, tsják, bijt uit Spijkers’ vinger bezegelen zij het verbond.

Deze Faust en Mefistofeles staan mijlenver van het oerbeeld van dit beroemdste tweetal uit de dramatische literatuur. Daartoe moeten we uitwijken naar de film. De Duitse cineast F.W. Murnau verfilmde in 1926 Faust in wervelend-expressionistische stijl met veel zwart-wit en heftige cameravoering. Mefistofeles, meesterlijk vertolkt door Emil Jannings, is uitgedost als een vleermuis met reusachtige vlerken die een diepzwarte schaduw over een Duitse stad werpen. Op zijn kale hoofd prijken bokkenpoten. De wenkbrauwen zijn rechte, zwarte lijnen. Faust is een man met diepgegroefd denkershoofd, grijze baard. Tussen deze twee heerst een genadeloze strijd tussen goed en kwaad. Daar zit geen wederzijds begrip tussen. Decennialang heeft Murnau’s klassieke creatie het beeld van Faust en Mefistofeles zowel voor film als toneel bepaald.

Johann Wolfgang von Goethe (1749-1832) werkte nagenoeg zijn hele leven aan zijn Faust-tragedie, tot aan zijn dood in 1832. In 1803, hij is dan net in de vijftig, voltooit hij Faust I dat op 19 januari 1829 in het Hoftheater van Braunschweig de première beleeft. Dit is de bekendste en meest gespeelde versie. Alles wat we met ‘de Faust’ associëren, zit erin: het duivelspact, de arme jonge Gretchen die door Faust eerst liefderijk wordt bemind en daarna wreed verstoten, de heksenkeuken waarin Faust een verjongingskuur ondergaat, Auerbachs Wijnkelder in Leipzig waar studenten Faust dronken willen voeren en de befaamde Walpurgisnacht vol demonische verleiding. Faust I zit vol dynamiek, er gebeurt veel. Hierdoor voorziet het stuk de theaterregisseur en decorontwerper van spectaculaire beelden. Faust II is veel meer een statische literaire vertelling. Dat eerste deel is gemodelleerd naar de historische Faust-figuur, Johannes Faust, die leefde in Zuid-Duitsland tussen 1480 en 1540. Goethe kende de legende over de wonderdokter en magiër Faust en maakte er vroeg in zijn jeugd, op vierjarige leeftijd, kennis mee. Poppenspelers, marionettentheaters en rondreizende toneellieden brachten voorstellingen over hem. In zijn studententijd zag Goethe de eerste toneelversie van Fausts levensverhaal, The Tragicall History of Doctor Faustus (1592) van Christopher Marlowe. Hierdoor geïnspireerd overwoog Goethe zelf een dramatisering te schrijven. Zijn geniale gedachte was Mefistofeles als tweede hoofdpersonage op te voeren. Aan zijn biograaf Eckerman liet hij weten een ‘portret te willen schilderen van een zoekende mens die ernaar streeft boven de middelmaat uit te steken’.

Goethe begon in 1773 aan de zogenoemde UrFaust. Het duurde tot 1876 voor in het theater van Weimar de volledige enscenering van Faust I&II werd gespeeld.

In zijn boek De duivelskunstenaar (2010) gaat Pieter Steinz, redacteur van deze krant, op zoek naar de werkelijk bestaande Faust die ‘al bij zijn leven een figuur (was) op wie mensen hun angsten en woede projecteerden.’ En verder: ‘Na zijn dood in 1540 werd hij zelfs een speelbal van maatschappelijke en politieke stromingen. [...] Binnen een paar eeuwen groeide hij uit tot een van de populairste personages uit de westerse cultuur, niet alleen door zijn lef God uit te dagen en zich te verbinden met de Duivel, maar ook door het motief dat hij daarvoor had. Faust wilde weten hoe de wereld in elkaar zat, en als dat niet lukte met behulp van de wetenschappen die de mens door God ter beschikking waren gesteld, dan moest het maar met duivelse methodes.’

Goethe achtte Faust ‘ongeschikt’ voor het toneel. Na afloop van een voorstelling in Weimar reageerde hij verontwaardigd: „Is het redelijk over mijn werken te beschikken zonder te vragen wat ik ermee voor heb?” Toneelauteur Friedrich Dürrenmatt vergeleek het drama met „een scheepswrak in het zand”. In Nederland kreeg Faust I de eerste opvoering in 1890 door het Hollandsch Toneelgezelschap. Twaalf jaar later volgde een uitvoering met Louis Bouwmeester in de rol van Mefistofeles. De toneelrecensent van De Nieuwe Courant oordeelde: ‘Telkenmale voert men van Goethes tragedie fragmenten op en telkenmale levert men het bewijs dat zulk een opvoering onmogelijk zuiver genot kan schenken. Niemand doet het zo dat er een draaglijk geheel tot stand komt.’ In 1917 bracht de groep Het Toneel uit Amsterdam deel I van Faust in het Paleis voor Volksvlijt. Jacqueline Royaards-Sandberg vertolkte de rol van Gretchen. In haar memoires schrijft ze: „Er waren prachtige momenten maar de Faust is geen toneel. Goethe is geen toneelschrijver.”

In 1985 durfde regisseur Hans Croiset het aan bij het Haagse gezelschap Toneelgroep De Appel de eerste volledige enscenering van de Faust-tragedie uit te brengen. De hoofdrollen werden vertolkt door Guido de Moor als Mefistofeles en Eric Schneider in de titelrol. Volgens Croiset was Faust een „man die alles had verworven wat er aan kennis bestond en op dat hoogtepunt bemerkte dat hij niet geleefd had. Hij zoekt, gaat verder en holt door van kwaad tot erger.” Eric Schneider herinnert zich dat Guido de Moor en hij „wederzijdse afhankelijkheid toonden”. Ontwerper Tom Schenk, die ook nu voor het Nationale Toneel het decor verzorgt, verbouwde het Appeltheater tot een imposante ruimte met een gebarsten lemen vloer waarover treinwagons langs smalle spoorrails liepen.

Het opmerkelijke aan die versie is dat Faust en Mefistofeles een verbond sluiten dat de allure heeft van een vriendschap. De witgeschminkte Guido de Moor als Mefistofeles speelde met innemende charme en souplesse de duivelse verleider. Hij bood Faust niet de door hem zo nagestreefde alwetendheid, maar schonk hem telkens nieuwe sensaties. Vrouwen met ontbloot bovenlichaam. Drank. Zelfs de kunst van het vliegen. Eeuwige jeugd. Ook in speelstijl benadrukten De Moor en Schneider hun wederzijdse waardering: ze draaiden om elkaar heen, waren in hedendaags kostuum gekleed, de eerste in het wit met stropdas, de tweede in het donker met wit openstaand overhemd. Het was ook een toneelvriendschap, namelijk tussen De Moor als intrigerende komediant en Schneider als tragische acteur. Met andere woorden: de dramatische tweespalt tussen goed en kwaad, die de oorspronkelijke tragedie tekent, heeft plaatsgemaakt voor kameraadschap en zelfs affectie.

Tussen de Faust I&II van november 1985 en Faust I&II een kwart eeuw later zitten meer overeenkomsten. In beide versies rijdt de oude Faust rond in een rolstoel. Decorontwerper Tom Schenk heeft het interieur van de Koninklijke Schouwburg ingrijpend veranderd. In overleg met de regisseur is hij „uit de lijst gebroken”. Vanaf de achterwand van het podium tot diep in de zaal loopt een catwalk, een passerelle, met een lengte van vijfendertig meter. Evenals bij De Appel zit het publiek zowel in de zaal en de balkons als op een tribune op de speelvloer.

En ook ditmaal is de inzet tussen Faust en Mefistofeles die van onderling respect. Beide acteurs, zowel Jaap Spijkers als Stefan de Walle, hebben destijds de voorstelling van De Appel gezien. De Walle vond hem „adembenemend met motorrijders die door de Walpurgisnacht scheurden”. Spijkers verwijst naar het befaamde ‘Sympathy For The Devil’ van de Rolling Stones om zijn visie op Mefistofeles te geven: „Dit rocknummer indachtig is Mefistofeles zeer sympathiek”.

Spijkers vertolkte eerder een faustiaanse figuur in de toneelversie die Gustav Ernst in 1995 voor De Trust maakte in de regie van Theu Boermans. „Daarin was Faust een kunstenaar die tegen zijn wil salonfähig was geworden”, zegt Spijkers. „Hij liet zich meeslepen in een festijn van sadisme en gruwelijkheid, en genoot daarvan. Mefisto was zijn kompaan wiens gelijk hij erkende.” Ook regisseur Guy Cassiers bracht een versie van Faust (1998) bij het Zuidelijk Toneel, waarin geleerde en duivel op elkaars instemming konden rekenen.

In deze zin volgt Doesburg de nieuwe traditie die in Nederland is ontstaan rond de Faust- en Mefistofeles-figuren. Zij zijn, zoals Spijkers formuleert, „cerebrale, begripsvolle personages. Daarom twijfelt Faust aan zijn tedere gevoelens van liefde voor Gretchen. En is de duivel niet per se de vertolker van het kwaad”.

Faust I&II door het Nationale Toneel. Première: 23/1 Koninklijke Schouwburg, Den Haag. Te zien aldaar t/m 24/4. Stadsschouwburg Amsterdam, 24/2 t/m 6/3. Inl: nationaletoneel.nl.

Pieter Steinz: De duivelskunstenaar. De reis van doctor Faust door 500 jaar cultuurgeschiedenis. Uitg. Prometheus, € 19,95