De comeback van twee bizarre broers

E.L. Doctorow: Homer & Langley. Vert. door Sjaak Commandeur. De Bezige Bij, 239 blz. €19,90

In 1947 forceerde de New Yorkse politie de deur van een veelbesproken herenhuis in Harlem en vond er de lichamen van de broers Homer en Langley Collyer. De laatste was gestruikeld over een van de draden van een boobytrap die hij had gespannen om indringers tegen te houden en vervolgens bedolven onder een massa troep die hij in de loop der jaren had verzameld. Zijn broer Homer, die volledig van hem afhankelijk was, leek vervolgens verhongerd. Het hele huis was volgestouwd met rommel die de paranoïde geraakte Langley in de loop der decennia van straat had meegenomen, alsmede vele kubieke meters oude kranten die hij verzamelde met als doel er een eeuwigdurende, ongedateerde krant uit te kunnen distilleren. Uiteindelijk zou er honderd ton aan rommel uit het huis verwijderd moeten worden.

Dat zijn de feiten, zo ongeveer. Maar de geschiedenis van beide broers zou in de New Yorkse folklore uitgroeien tot een kleurrijk verhaal waarin feiten niet meer van fictie te onderscheiden waren.

E.L. Doctorow bouwde een tamelijk briljante carrière op met het creëren van een oeuvre waarbinnen historische gebeurtenissen en personen de basis vormen voor zijn fictie. Dat geldt al vanaf zijn doorbraak met Ragtime, waarin we uiteenlopende figuren als Henry Ford, Harry Houdini en Sigmund Freud tegenkomen.

Met Homer & Langley heeft Doctorow zich opnieuw de literaire vrijheid toegeëigend om de historie als uitgangspunt te nemen en daar verder zijn fantasie op los te laten. Zijn belangrijkste ingreep is dat hij beide broers ongeveer dertig jaar langer laat leven, en zo een panoramisch overzicht geeft van een groot deel van de 20ste eeuw. Dat doet hij vanuit de optiek van Homer – een noodzakelijkerwijs uiterst beperkte optiek want deze is al op jonge leeftijd blind geworden. Maar Homer schrijft zijn verhaal op een brailleschrijfmachine en ontwikkelt zich ook tot een vaardig pianist, vaardig genoeg om de stomme films uit die jaren met pianospel te begeleiden.

Naarmate de eeuw voorbijtrekt worden de broers geconfronteerd met opdringerige overheidsdienaren, gangsters, jazzmuzikanten en prostituees en enkele bij hen intrekkende hippies. De buitenwereld is er met de maanlanding, de massazelfmoord van de sekte van Jim Jones, de oorlog in Vietnam. Dit alles wordt, uiteraard, onaangedaan geregistreerd en het is de vraag wat Doctorow heeft bedoeld met het zo plaatsen van de historische feiten in de fictief opgerekte tijd van deze broers.

Het verhaal wordt er niet door verrijkt, het begrip voor hun zich bizar ontwikkelende levenswandel evenmin. Maar het belangrijkste bezwaar is dat Doctorow de beperkte waarnemingsvermogens van de verteller veel te weinig heeft uitgebuit. Hij stelt oprecht teleur in het exploiteren van Homers andere zintuigen, en wat een intrigerend spel had kunnen worden met tactiele en auditieve ervaringen blijft steken in een zwakke poging daartoe.

Doctorows kracht heeft altijd gelegen in het grootser en kleurrijker maken van het historische, in het schetsen van brede panorama’s en de interactie van personages die hij naar believen kon inkleuren. In dit boek hebben de ervaringen zich juist, noodzakelijkerwijs, naar binnen gekeerd en vindt die kenmerkende kracht van de auteur zijn begrenzing tegen de binnenmuren van een tot aan de nok volgestouwd huis. En dat is jammer. Voor bejaarde New Yorkers zal dit boek een fraaie bijdrage zijn aan de mythevorming rond de broersCollyer. Voor wie geen historische voorkennis heeft of wenst te hebben is het een teleurstellend boek van een bijzonder auteur.