Burgemeesters: met één mond praten kan wél

Moerdijk laat zien hoe het niet moet, zegt Jan Mans, ‘crisisburgemeester’ tijdens de vuurwerkramp in Enschede. Te veel mensen, te veel boodschappen.

Bijna anderhalve week na het afbranden van Chemie-Pack is de aandacht verschoven van de brand naar de communicatie óver de brand en zijn gevolgen. Kritiek op de „tegenstrijdige”, „dubbele”, „gebrekkige” crisiscommunicatie vormde de hoofdmoot van het spoeddebat gisteren in de Kamer. Dezelfde klachten waren te horen op bewonersbijeenkomsten in Moerdijk en Strijen. En de belangenorganisaties van tuinbouwers stuurde een brandbrief naar Den Haag met het verzoek om meer duidelijkheid.

Zijn er inderdaad fouten gemaakt in de crisiscommunicatie?

Ja, zegt Jan Mans. Hij was burgemeester van Enschede toen daar in 2000 een vuurwerkbedrijf ontplofte, met 23 doden en circa duizend gewonden tot gevolg. De belangrijkste les die Mans toen trok: „Houd de communicatie in één hand. Als meer personen publiek en pers gaan informeren, is onduidelijkheid het gevolg.”

Moerdijk is een voorbeeld van hoe het niet moet, vindt Mans. „Er wordt telkens op drie podia gecommuniceerd. De burgemeester van Moerdijk, die van Breda én die van Dordrecht.” Mis ging het met de informatie over gevaarlijke stoffen, aldus Mans. „Waren er nu wel of niet gevaarlijke stoffen vrijgekomen, vroegen mensen zich af. Daar is niet adequaat over gecommuniceerd. Als je de communicatie niet goed afstemt, ontstaat die verwarring vanzelf.”

Ook Pieter van der Zaag, waarnemend burgemeester van Winsum, vindt de communicatie op drie fronten onhandig. Hij was burgemeester van Drachten tijdens de brand in het chemische afvalverwerkingsbedrijf ATF, ook in 2000. Over de brand van vorige week: „Waar stond die fabriek? In Moerdijk. Voor de burger is het dan verwarrend om te luisteren naar burgemeesters van andere steden.”

Reden voor de drievoudige communicatie is de indeling van Nederland in veiligheidsregio’s. Bij grote crises verschuift de zeggenschap over hulpdiensten als politie en brandweer naar de voorzitters van de veiligheidsregio’s – in dit geval de burgemeesters van Breda en Dordrecht.

Ook Van der Zaag kreeg kritiek na ‘zijn’ brand, van burgers en de gemeenteraad: hij had eerder moeten waarschuwen voor vrijgekomen giftige stoffen. Van der Zaag nu: „Als je nog geen meetresultaten kunt melden, is het belangrijk dat je meldt op welk tijdstip je die wél bekend gaat maken.” Dat is „redelijk gelukt” na Moerdijk, vindt hij, al blijft het lastig dat een burgemeester afhankelijk is van meetinstituten. „Als burgemeester heb je wel contact met de mensen daar, maar kennen doe je ze niet. Zo verlies je de grip.”

„Leg de mensen uit waaróm de metingen op zich laten wachten”, zegt Wouter Jong, adviseur crisisbeheersing bij het Nederlands Genootschap van Burgemeesters. Zijn advies: houd rekening met de perceptie van het publiek. „Flauw geformuleerd: de buitenwereld bepaalt of iets een crisis is.” Volgens Jong verspeelden de autoriteiten al kort na de brand hun krediet omdat ze bleven verwijzen naar metingen waaruit geen gevaar bleek. „Bij de term ‘chemische brand’ is de perceptie al gauw: dit is levensgevaarlijk. Als je dat niet serieus neemt, word je al snel ongeloofwaardig.”

Stroperige communicatie is een boosdoener, zegt Jong. „Bij een crisis mag een brandweercommandant zijn werk doen. Met de communicatie bemoeit zich al snel het halve crisisteam. Zo verlies je snelheid.” Op de nationale website crisis.nl stond pas vier uur na de brand een eerste mededeling. „Dat was achterhaald nieuws als je de brand via Twitter had gevolgd”, zegt Jong. „De burgemeester moet het nieuws niet langer brengen, maar bijsturen. Ontkrachten wat niet klopt, bevestigen wat wel klopt. Een crisisteam moet dichter op de bal zitten.”