Bang voor Tunesische taferelen

Niet alleen in Tunesië, ook in andere Arabische landen gaan betogers de straat op.

Werkloze jongeren zijn gefrustreerd over de repressie en het gebrek aan perspectief.

De Jordaanse regering heeft de prijzen van eerste levensbehoeften als suiker en rijst verlaagd en een omvangrijk werkgelegenheidsprogramma bekendgemaakt. Amerika meldde tegelijkertijd Jordanië naast de reguliere economische steun van 363 miljoen dollar 100 miljoen dollar extra te geven om de „armen, jongeren en ondergeprivilegieerden” te helpen. ‘Jordanië verlaagt preventief de prijzen om een Tunesisch scenario te voorkomen – zal dat voldoende zijn?’ twitterde de Amerikaanse Midden-Oostenexpert Marc Lynch die de situatie nauwgezet volgt.

De regering van koning Abdullah II kijkt bezorgd naar de oproep van vakbondsactivist Mohammed Sneid aan de Jordaniërs om vandaag na het vrijdaggebed massaal te gaan protesteren tegen de stijgende prijzen. De Amerikaanse regering maakt zich kennelijk ook zorgen over de stabiliteit van zijn bondgenoot.

Niet alleen in Tunesië komen jongeren in opstand, onder andere tegen werkloosheid, stijgende prijzen en corruptie. In het buurland Algerije vielen vorige week zeker vier doden en honderden gewonden bij wijdverspreide protesten tegen hoge prijzen. In Saoedi-Arabië gingen werkloze afgestudeerden de straat op. In Jemen, dat al kampt met een paar opstanden en verhoogde activiteit van Al-Qaeda, wordt nu weer gemord over benzinetekorten. In Egypte zijn het de koptische christenen die protesteren tegen hun marginalisering.

Op een heel enkele uitzondering na – Qatar misschien of de Verenigde Arabische Emiraten – hebben alle Arabische landen grote sociaal-economische en politieke problemen gemeen. In willekeurige volgorde:

1Een zeer jonge bevolking als resultaat van een bijzonder hoog geboortecijfer. In Algerije is driekwart van de bevolking jonger dan dertig jaar.

2Een groot en groeiend gebrek aan banen, met name voor de jeugd, als gevolg van de huidige economische crisis en een tekortschietende economische politiek. In verscheidene landen, Tunesië en Saoedi-Arabië zijn duidelijke voorbeelden, is veel nadruk gelegd op verbetering en uitbreiding van de universiteiten, zodat die nu massa’s hoogopgeleide, gefrustreerde werklozen produceren.

3Een allesdoordringende corruptie van de lage overheid tot aan de top. De Tunesische Famille, de (schoon)familie van president Zine al-Abidine Ben Ali, eist volgens een WikiLeaks-document van de Amerikaanse ambassadeur haar deel op van elke investering.

4Een verstard, autoritair bewind dat elke mogelijkheid tot politieke participatie laat staan oppositie afwijst en actief onderdrukt. De bevolking heeft geen enkele stem. Verkiezingen in achtereenvolgend Bahrein, Jordanië en Egypte afgelopen najaar waren bijvoorbeeld door de regimes verregaand gemanipuleerd. In Jordanië en Egypte trok de oppositie zich uit protest terug zodat in de parlementen de regering nu naar zichzelf luistert. Bijna overal worden de media, inclusief de informatiestroom op internet, zwaar gecensureerd.

De repressie in veel van de Arabische landen is mede bedoeld om de fundamentalistische oppositie onder de duim te houden. De toenmalige Amerikaanse president George Bush zette zijn democratiseringsprogramma in de Arabische wereld na de aanslagen van 11 september 2001 niet door toen fundamentalistische partijen daarvan in verkiezingen bleken te profiteren.

‘De VS en andere westerse landen dragen een deel van de verantwoordelijkheid voor de economische en politieke achteruitgang in een aantal Arabische landen’, schreef commentator Hamad al-Majid in de Saoedische krant Asharq al-Awsat. Westerse landen hebben tot dusverre opvallend voorzichtig gereageerd op het optreden van het Tunesische regime tegen de betogers.

Maar als regeringen met „een onderdrukkende stijl hun bevolking temmen [..] is het eindresultaat dat de druk opbouwt en uiteindelijk tot ontploffing komt. Dit is wat we recent in een aantal Arabische landen hebben gezien”, aldus Majid. Tot dusverre zonder dat de gevreesde fundamentalisten er een belangrijke rol in spelen.

In Tunesië zorgde de zelfverbranding van een jonge werkloze student half december voor een golf van protesten door duizenden jongeren die zich snel over het land verspreidden. De eerste reflex van de overheid – erop slaan, ten koste van tientallen doden – heeft niets opgelost, sluiting van middelbare scholen en universiteiten evenmin. Woensdag probeerde de regering de angel uit het protest te halen door de minister van Binnenlandse Zaken, die de politie aanstuurt, te vervangen, een onderzoek naar corruptie te beloven en de vrijlating van arrestanten aan te kondigen. Maar of president Ben Ali het gaat redden is de vraag.

Andere Arabische landen volgen de Tunesische ontwikkelingen bezorgd. Zij proberen te balanceren tussen Ben Ali en de betogers. „De regering heeft het recht zichzelf en privé- en overheidseigendommen te beschermen”, commentarieerde woensdag de Saudi Gazette. „Maar wanneer jonge mensen door regeringstroepen worden neergeschoten, is het tijd een stap terug te zetten en zorgvuldig te bekijken wat moet worden gedaan.”

In Algerije zijn er volgens verschillende bronnen al geruime tijd bijna dagelijks kleinere betogingen en andere protesten tegen werkloosheid, hoge prijzen en slechte huisvesting. Daar was een combinatie van hard optreden door de politie en aanzienlijke prijsverlagingen door de overheid genoeg om een einde te maken aan de grotere onlusten van vorige week. In Jemen is de minister van Oliezaken ontslagen.

In het algemeen zijn de regimes voorlopig in het voordeel omdat de betogers nog een duidelijk leiderschap en politieke richting missen. De meeste ervaren oppositieleiders zitten in de gevangenis of leven in het buitenland in ballingschap. Midden-Oostenexpert Lynch vroeg zich af wat voor verandering de protesten kunnen veroorzaken als ze zo leiderloos zouden blijven escaleren. „Het is opwindend en verontrustend.”