Aan het lot overgelaten

In 1761 lieten Franse zeelui slaven achter op een eilandje in de Indische Oceaan.

Ze bouwden huisjes, kregen kinderen en maakten vuur. Maar weinigen overleefden.

Het eilandje Tromelin in de Indische Oceaan is geen alledaagse plek voor archeologisch onderzoek. Het dichtstbijzijnde land, Madagaskar, ligt 470 kilometer westelijker. En de oude Franse naam, Île de Sable, maakt duidelijk dat op het 1.700 meter lange en maximaal 600 meter brede eiland vooral zand is te vinden.

Toch heeft een Frans onderzoeksteam hier onlangs al voor derde keer in vijf jaar tijd opgravingen gedaan. Op zoek naar het antwoord hoe Malagassische slaven, in 1761 achtergelaten door Franse zeelieden, hier vijftien jaar wisten te overleven.

„De omstandigheden waren zeer zwaar”, zegt Max Guérout, leider van de expeditie over de telefoon. „Heet en veel wind.” Hij is vicepresident van GRAN (Groupe de Recherche en Archéologie Navale) en houdt zich bezig met onderwaterarcheologie en slavenroutes. Sinds enkele jaren onderzoekt hij met Thomas Romon van INRAP, een Franse nationale archeologische dienst, de lotgevallen van ‘de vergeten slaven’ van Tromelin.

Uit historische bronnen, zoals een door hem in een Brits archief teruggevonden logboek van bemanningsleden van het schip de Utile, kwam Guérout te weten hoe dit schip van de Franse Oost-Indische Compagnie op 31 juli 1761 bij het eiland was vergaan. De kapitein had op weg naar Île de France (nu Mauritius) aan de oostkust van Madagaskar stiekem voor eigen gewin 120 slaven aan boord geladen. Hij maakte de fout om in het donker langs Île de Sable te varen: zijn schip liep vast op het rif rond het eiland. De meesten van de 142 bemanningsleden wisten door de hevige branding het eiland te bereiken, maar tientallen opgesloten slaven verdronken. Pas toen het schip in tweeën brak kon een zestigtal zich redden.

Op basis van het teruggevonden logboek kon Guérout vaststellen dat er voor de slaven een apart kamp is gebouwd. Verder werden er putten voor drinkwater geslagen en met gereedschap en materiaal uit het wrak van de Utile een boot gebouwd, om van het eiland af te komen. Na twee maanden was de boot klaar, maar die was te klein om ook de slaven mee te nemen. Zij moesten achterblijven met levensmiddelen voor drie maanden en de belofte dat ze zouden worden opgehaald.

Maar nadat de zeelieden veilig Madagaskar en vandaar La Réunion en Mauritius hadden bereikt, weigerde de gouverneur, kwaad over de illegale handel, hulp voor de slaven te sturen. Na verloop van tijd wist niemand nog van hun bestaan. Tot in 1774 een passerend schip mensen op het eiland ontdekte. Na twee door de hevige branding mislukte reddingspogingen lukte het Jacques-Marie de Tromelin pas twee jaar later om de overlevenden, zeven vrouwen en een baby, van het later naar hem vernoemde eiland te halen.

Guérout en zijn team gingen in 2006 voor het eerst onderzoek doen op het eiland. „We konden meevliegen met een Frans militair vliegtuig. Sinds 1954 zijn er een start- en landingsbaan en een Frans meteorologisch station.” Drie opgravingscampagnes hebben duidelijk gemaakt dat de slaven op het hoogste punt (zes meter) van koraal en stenen van gedroogd zand gebouwtjes hebben gemaakt. „Psychologisch interessant”, zegt Guérout, „want de Malagassiërs bouwden hun huizen traditioneel van takken en bladeren. Alleen graven maakten ze van steen.” In dit geval was op het boomloze eiland de overlevingsdrang sterker dan de tradities. De gebouwtjes van vier tot acht vierkante meter – de onderzoekers hebben er tot nu toe zes opgegraven – hadden muren van meer dan een meter dik en waren onderling verbonden. Zo boden ze bescherming tegen stormen. Later hebben ze ook nog een brede muur gebouwd. Guérout: „Er zijn sporen van een overstroming en waarschijnlijk hebben ze de muur als een extra bescherming gebouwd.”

Een van de gebouwtjes diende – gezien het gevonden kook- en eetgerei – als keuken. In zelfgemaakte loden bassins vingen de schipbreukelingen regenwater op. „Veel gebruiksvoorwerpen zijn zelf gemaakt en vaak gerepareerd. Weer een teken van overlevingsdrang.” De vondst dit jaar van twee vuurslagen en enkele stukken vuursteen afkomstig uit geweren gaf eindelijk antwoord op de vraag hoe de slaven vuur hebben gemaakt. Botresten hebben verder duidelijk gemaakt dat vijftien jaar lang vooral stern en zeeschildpadden op het menu hebben gestaan.

Uit berichten van Engelsen die in de 19de eeuw op het eiland schipbeuk hebben geleden, is bekend dat de slaven hun doden netjes begroeven. Uit alles blijkt dat ze een georganiseerd leven leidden, aldus Guérout.

Het is nog niet gelukt de graven te vinden. Wel zijn twee skeletten gevonden. Guérout weet niet zeker of er nog een expeditie komt. „Meevliegen met Defensie zit er waarschijnlijk niet meer in en het weerstation dat als onderkomen diende, houdt op te bestaan.”