Zelfcensuur floreert in fragiele Hongaarse democratie

De gemiddelde Hongaar maakt zich vooral zorgen over de trage economische ontwikkeling, minder om democratie en media.

De media-autoriteit die volgens de omstreden nieuwe Mediawet in Hongarije zo veel macht krijgt, is geen censor die alles wat wordt geschreven of uitgezonden, van te voren beoordeelt. Maar dat is ook niet nodig, zeggen verschillende Hongaarse journalisten. Het gevaar is dat de neiging om aan zelfcensuur te doen, erdoor wordt versterkt.

Het land is nog maar twintig jaar een democratie, en oude reflexen zijn nog sterk. In de jaren tachtig, tijdens de milde variant van communisme onder partijleider János Kádár, hoefde de censor haast nooit in te grijpen, zegt Attila Mong, presentator van de publieke omroep die op non-actief is gesteld. „Journalisten wisten zelf wel wat ze niet moesten schrijven als ze hun baan wilden behouden. De Sovjet-Unie bekritiseren deed je niet. Amerika prijzen ook niet.” Zo lang geleden is dat allemaal nog niet. „We weten nog hoe dat moet, zelfs jongere journalisten zijn in die traditie gevormd.”

Andere journalisten beamen dit. Zelfcensuur om de machthebbers of de eigenaren van hun zender of blad niet voor het hoofd te stoten, is in Hongarije al langer aan de orde van de dag. Journalisten vertellen er wat ongemakkelijk over en willen anoniem blijven. Want ze schamen zich. Zelfcensuur is een schandvlek op een medium.

Een verslaggever van een actualiteitenprogramma van een van de twee grootste tv-stations vertelt over het belabberde optreden van het leger tijdens een overstroming. De veelzeggende beelden haalden het nieuws niet, omdat het zijn chef beter leek de minister van Binnenlandse Zaken niet voor het hoofd te stoten. „Het is een slechte erfenis van vroeger”, zegt hij in een hip café in het centrum van Boedapest. „Iedereen voelt die interne reflex, ik ook, hoewel ik mijn eerste verhaal pas na de omwenteling maakte. Iedereen is altijd bang zijn baan te verliezen.”

Hij en andere bezorgde Hongaren beschrijven de twintig jaar jonge democratie in hun land als een dunne laag ijs, waar nog flink wat vorst over heen zou moeten om het te verstevigen en weerbaar te maken tegen druk. Diplomaten spreken van democratie die „nog niet is ingedaald”. De formele structuren zijn er wel, maar het denken en handelen is vaak nog volgens oude patronen.

Regeringswoordvoerder Anna Nagy reageert bozig en gekwetst op de suggestie dat de democratie in Hongarije onvolgroeid is en ambtenaren en pers daardoor onvoldoende in staat zijn zichzelf te verdedigen tegen een sterke regering. „Het is oneerlijk en doet pijn als gedaan wordt alsof er eerste en tweede klas democratieën zijn.” Het tegenovergestelde is volgens Nagy waar: „Ik ben 45 en herinner me het vorige regime goed. We droomden van de vrijheid van meningsuiting. Juist hier weten we dat die niet vanzelfsprekend is en waarderen we het misschien zelfs meer.”

De laatste decennia communisme waren in Hongarije in verhouding tot communistische buurlanden niet zo slecht. Het levenspeil was relatief hoog en de bevolking vrijer dan in bijvoorbeeld Roemenië of de DDR. Het woord ‘dictatuur’ nemen de meeste Hongaren niet in de mond als ze praten over de eenpartijstaat onder leiding van Kádár.

„De scheidslijn tussen democratie en dictatuur is hier troebel”, zegt Zoltan Fleck, socioloog aan de ELTE universiteit in Boedapest. „Onder de oppervlakte is veel hetzelfde gebleven, de ongeschreven regels bij benoemingen bijvoorbeeld.” Ambtenaren accepteren dat ze zich moeten schikken naar de lijn van de heersende partij en dat benoemingen politiek gekleurd zijn. „Er is niet genoeg capaciteit om de democratie binnen de staat te verdedigen.”

Uit onderzoek blijkt bovendien dat democratische instellingen zoals het parlement impopulair zijn, wat veel te maken heeft met hun slechte functioneren en de vele corruptieschandalen in de afgelopen twee decennia. De gemiddelde Hongaar heeft nog weinig aanleiding gehad om de pers, het parlement of hun traag opererende rechters te gaan waarderen.

De levensstandaard is verbeterd, maar nog altijd ver beneden die van buurland Oostenrijk, waarmee Hongaren zich vergelijken. De zorgen van de gemiddelde Hongaar over de Mediawet of de bevoegdheden van het Constitutioneel hof verbleken bij de frustratie over de trage economische ontwikkeling. Een regering die daar snel wat aan verandert, zoals deze belooft, is misschien genoodzaakt het land eerst te herordenen.

„Tegen een totalitair regime kun je gezamenlijk vechten”, zegt Fleck. „In 1956 tegen het Stalinisme deden we dat ook. Maar met een autoritair regime kun je compromissen sluiten, zoals ook blijkt uit onze traditie. Onze relatieve voorsprong van de jaren tachtig is nu een nadeel.”

Neutraal zijn is moeilijk in Hongarije, een gepolariseerd land waar wantrouwen regeert. De kloof tussen regering en oppositie is groot en gaat verder dan het parlement. Ook de meeste media hebben een politiek profiel. ‘Socialistische’ kranten meten corruptieschandalen en fouten van de rechts-conservatieven groot uit. Zij protesteren nu ook het hardst tegen de Mediawet, die een initiatief is van Fidesz, de conservatieve partij die in het parlement een tweederde meerderheid heeft. Andersom werkt het ook: in conservatieve weekbladen en zenders wordt voor alles de schuld aan socialisten gegeven. Een gunstige uitzondering zijn de grote nieuwsorganisaties op internet, Index en Origo. Vooral jonge Hongaren verkiezen die boven de dagbladen, die ze beschouwen als saaie clubblaadjes van politieke partijen.

‘Stammen’, noemt Mong de kampen. „Hongarije was feodaal, we verdelen in heren en vazallen.” Hij is kritisch op zichzelf en zijn vakgenoten. „Media werken in Hongarije niet naar behoren. Maar dat is een journalistiek professioneel en cultureel probleem. Niet iets waarop je een politiek antwoord moet geven.”