Overhemden kun je nooit genoeg hebben

Otto Zeedijk heeft 55 jaar gewerkt. Hij houdt er bijna mee op. Als jongen van 13 kwam hij in de kleermakerij van zijn vader. Zijn herenkledingzaak in Dordrecht houdt al maanden opheffingsuitverkoop.

08.20 uur Meneer Zeedijk knipt het licht aan in de winkel. Grijs pak, streepjeshemd, das. Hij woont boven de zaak. Boven heeft hij een boterham met kaas gegeten, koffie gedronken, zijn krantje gelezen: AD De Dordtenaar. Boven heeft verder niemand iets te zoeken. Privé en zakelijk houdt hij strikt gescheiden.

08.30 uur Meneer Zeedijk stofzuigt de bruine, sleetse vloerbedekking. Hij begint voor, bij het etalageraam met het affiche:

„Opheffingsverkoop

De laatste weken

300 m2 pakken,

jassen en dassen”

Het hangt er al maanden.

De zaak is diep, wel veertig meter. Twee pijpenladen, schuin op elkaar. Klanten die voor het eerst binnenstappen, zijn verrast dat de zaak aan het einde van de eerste ruimte, via een afstapje naar links nog veel verder gaat.

Meneer Zeedijk stofzuigt elke vierkante meter, traag en aandachtig. Hij heeft een vaste route: van stopcontact naar stopcontact.

08.55 uur Meneer Zeedijk gaat met zijn handen door de rekken colberts. Dat mensen die hangers zo verkeerd kunnen terughangen. Tegen de draad in, zodat er minder knaapjes op een rek passen. Het verbaast hem dat het hem na al die jaren nog altijd verbaast.

Met het uiteinde van een kleerhanger drukt hij op de knop van een beeldscherm aan het plafond. Vroeger kon hij daarop, vanaf zijn stoel achterin de zaak, zien wat er in het voorste deel gebeurde. Maar het scherm is stuk. Het geluid doet het nog goed. Ruis wil zeggen dat er niemand binnen is.

09.40 uur Eerste klant. De deurbel gaat. Alsof meneer Zeedijk zichzelf lanceert, zo beent hij naar voren. Een oude klant, zoals meneer Zeedijk er meer heeft. Gegoede burgers. Sommigen komen hier al dertig, veertig jaar.

Zware ademhaling klinkt uit het pashok. „Iets te krap. Dat wil ik juist niet.”

„Dan pakken we toch een maatje groter.”

„Ik ben de laatste maanden een kilootje of vijf aangekomen. Het zal wel van de zenuwen zijn.”

„Probeer deze maar eens.”

Weer gesnuif uit het pashok. „Deze zit net zo strak, hoor.”

„Het is toch een maatje groter. Maar dan nemen we nog een maatje groter.”

Meneer Zeedijk wacht geduldig in zijn standaardhouding: een been recht, het andere been gekromd, leunend op een kledingrek. „Je wilt toch niet zeggen dat deze ook te klein is?”

„Nee, deze zit lekker. Wel een beetje ruim, maar dat vind ik niet erg. Dan kan ik nog een pondje extra eten. Ik hou van ruim.”

Zelf heeft Zeedijk maat 48. Dat was even 50 plus, met een buikje, na zijn hartinfarct in 1999. Of ze wilde opschieten met de katheterisatie, vroeg hij aan de hartchirurg. Hij moest aan het werk.

10.30 uur De telefoon gaat. „Met Zeedijk Herenkleding. Nee, we zijn alleen nog open op donderdag, vrijdag en zaterdag.” Dat is zo sinds een jaar. Hij was er nog niet aan toe om te stoppen. Hij had tijd nodig om aan het idee te wennen. Nu, zegt hij, heeft hij er volledig vrede mee.

Hij gaat genieten van de kleinkinderen. „Opa had nooit ergens tijd voor.” Tuinieren bij zijn huisje bij Brouwershaven. Misschien gaan ze wel reizen. Niet naar het buitenland. Naar al die provincies waar hij nooit is geweest.

11.20 uur Een man in leren jas en spijkerbroek rekent vier overhemden af, maat 46. „Overhemden heb je nooit genoeg.”

Bij de toonbank hangt een briefje: „Niet ruilen. Geen geld terug”. ‘Niet’ en ‘Geen’ zijn dubbel onderstreept.

Meneer Zeedijk geeft de klant zijn kwitantie. „Kan u het ook weer verantwoorden tegenover moeder de vrouw.” Hij begeleidt hem naar de deur. Dat doet hij bij iedere klant.

12.05 uur „Daar begin ik niet meer aan. Daarvoor moet je bij Hamza zijn in Krispijn.” Meneer Zeedijk tegen een Turkse klant die een colbert van tien euro wil laten innemen.

Zijn vader was kleermaker, zijn overgrootvader was kleermaker, zijn overovergrootvader was kleermaker. Hijzelf begon ook als kleermaker toen hij de zaak in 1965 overnam van zijn vader. „Ik ben de laatste van het zootje.”

13.09 uur Zijn lunch is klaargezet op de trap tussen de zaak en het woonhuis. Twee bruine boterhammen in een plastic zak. Altijd één met kaas en één met vleeswaar. „Hé, leverworst.” Vleeswaar is altijd een verrassing. „Daar ga ik niet over. Dat regelt mijn vrouw.”

13.16 uur De deurbel gaat. „Ja, daar heb je het al.” Meneer Zeedijk stopt de boterham met kaas terug en legt het zakje uit het zicht. Dan beent hij naar voren. „Kunt u het een beetje vinden?”, vraagt hij aan de Turkse klant.

Sinds de opheffingsverkoop is begonnen, trekt zijn zaak meer allochtone klanten. Eerst komen ze alleen, dan met vrouw of vrienden. Ze willen niet geholpen worden. Hij laat ze maar aantobben.

Sommigen komen elke week kijken. Ze denken dat de prijzen almaar zakken. Daar begint hij niet aan. De bodemprijs bepaalt hij nog altijd zelf.

Kostuums van 379 en 487 euro gaan weg voor 29, 49, maximaal 89 euro. Colberts doen 10, 15, 29, 49 euro. Klassieke herenkleding. Puike kwaliteit.

Over inkoopprijzen zwijgt hij. Op elke verkoop legt hij toe. Hij wil er niet aan denken. Hij is bezig de tent leeg te verkopen. Zijn dochter heeft gewaarschuwd: „Pa, je moet kijken naar wat het oplevert, niet wat het heeft gekost.”

15.15 uur „Mag ik even rondkijken? Niet voor mezelf. Een vriend van mij wil een kledingzaak beginnen.” Een man van een jaar of dertig met een Pools accent.

„Kijk maar”, zegt meneer Zeedijk. „Ik vind alles goed.”

Hij heeft al meer opkopers over de vloer gehad. Hij is bang dat ze zijn kleding straks afkraken als ze tegen elkaar opbieden. Rommel. Ouwe troep. Als de prijs hem niet bevalt, geeft hij de hele partij net zo lief aan een goed doel.

16.37 uur Zijn vrouw belt via de huistelefoon. Het is mooi geweest voor vandaag. Hij heeft 22 bezoekers gehad. Negen hebben er iets gekocht.

Eind januari sluit de zaak voorgoed. „Ik kijk er niet naar uit.”