Lekker, wat lood of chroom op je spruiten

Omwonenden zouden maar minimaal zijn blootgesteld aan gevaarlijke stoffen.

Tegelijk trof het RIVM in een weiland extreme hoeveelheden lood en cadmium aan.

12-01-2011, Strijensas. Spruitjes in de Mariapolder. Foto Bas Czerwinski

Het rapport van het RIVM over de milieueffecten van de brand bij Chemie-Pack is een rapport met een onduidelijke boodschap. Het is onmogelijk om nu al te constateren dat geen enkel gevaar meer van de brand te duchten valt.

Enerzijds wordt in het rapport aannemelijk gemaakt dat omwonenden benedenwinds van Chemie-Pack tijdens de brand maar minimaal werden blootgesteld aan gevaarlijke vluchtige stoffen. Met bewonderenswaardige voortvarendheid heeft de Milieuongevallendienst van het RIVM al tijdens de brand, in de loop van de avond van 5 januari, lucht- en grasmonsters genomen uit het gebied waar de rook naartoe waaide.

Op leefniveau werden geen noemenswaardige verhogingen van concentraties gevaarlijke vluchtige stoffen gemeten, met een uitzondering voor tolueen en enige xyleen- en benzeenverbindingen. Tolueen is een gangbaar oplosmiddel waarvan Chemie-Pack veel had opgeslagen.

Overigens bleken de rook en verbrandingsgassen zich heel anders over Nederland te hebben verspreid dan het tot dusver losjes door meerdere weermannen op televisie was voorgesteld. Er was ook een tak die, althans op leefniveau, pal noordelijk richting Zandvoort trok.

Dat de rookwolk wel degelijk zijn sporen in het land ten noorden van Chemie-Pack heeft achtergelaten, bleek uit het verhoogde dioxinegehalte van een grasmonster uit Strijensas – al betrof dat geen extreme hoeveelheid van de giftige stof.

Verontrustender was echter een monster gras dat het RIVM in de Mariapolder, 3,5 km ten noorden van Chemie-Pack, had genomen. Dat monster was met extreme hoeveelheden lood, chroom, cadmium en mangaan vervuild. Groente die in dezelfde mate vervuild zou zijn, zou vooral door het zeer hoge gehalte lood en mangaan, niet in de handel mogen worden gebracht.

Een monster gras dat een dag later uit hetzelfde gebied werd genomen toonde maar een lichte extra vervuiling. Het RIVM heeft nog geen heldere verklaring voor deze vreemde ‘outlier’ (statistische uitschieter), noch voor de bron van de besmetting. Het zou kunnen betekenen dat het vuil uit de rookwolk, mogelijk onder invloed van de regen, in een heel vlekkerig patroon op aarde is neergedaald. Te midden van een groot gebied dat maar licht vervuild is, zouden zich ‘hot spots’ kunnen bevinden waar de vervuiling hoog is.

Ook de uitstoot van de brandende kernreactor van Tsjernobyl kwam in 1986 in zo’n grillig patroon neer, zelfs in de directe omgeving van de centrale. Maar radioactieve vervuiling is sneller getraceerd dan ‘gewone’ chemische vervuiling.

Het zal geen makkelijke beslissing zijn om spruitjes, boerenkool en andere wintergroente vrij te geven voor consumptie zonder dit vlekkenpatroon in kaart te hebben gebracht.

Na de brand is de luchtbelasting van de omgeving vanzelfsprekend tot nul teruggelopen. Alleen op het terrein van Chemie-Pack zelf werden nog hoge concentraties vluchtige organische stoffen gemeten, voor een groot deel was dat uitdamping van deze stoffen uit de sloten rond het terrein. Zoals al eerder door het waterschap Brabantse Delta was vastgesteld, is het oppervlaktewater rond Chemie-Pack zwaar vervuild geraakt.

Een bitter detail is dat de zware fluorvervuiling ter plekke door de brandweer zelf is aangebracht. Veel brandweerkorpsen blussen nog met schuim waaraan oppervlakactieve stoffen op basis van fluor is toegevoegd. De EU probeert het gebruik hiervan al lang te ontmoedigen en heeft inmiddels een stapsgewijs verbod van de stoffen afgedwongen.