Er was zo’n dappere commissaris in 1940

Lia Hoogendorp-Herresma schrijft dat we in 1940-1945 wel een politiecommissaris hadden kunnen gebruiken „die vond dat politiemensen geen Joden uit hun huis moesten sleuren” (Opinie, 10 januari). Zo’n politiecommissaris was er. Hij weigerde de opdracht van de Duitse autoriteiten (Sicherheitspolizei) uit te voeren, om Joden op te pakken voor overbrenging naar Polen en werd daarvoor op staande voet ontslagen door Rauter, Generalkommissar für das Sicherheitswesen, SS Gruppenführer und Generalleutnant der Polizei. De ontslagbrief ligt voor mij op mijn bureau. Deze politiecommissaris ging de illegaliteit in, waarschuwde Joden en hielp hen aan onderduikadressen. Deze moedige man was mijn vader. Hij was commissaris van politie in Velp (Gld.), na de oorlog hoofdcommissaris van politie in Arnhem. En er was een tweede commissaris: de heer J. de Jong, commissaris van politie te Tiel. Hij werd eveneens ontslagen. Van deze feiten wordt door dr. L. de Jong in zijn geschiedschrijving Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog gewag gemaakt.

Waren er maar meer van deze commissarissen geweest. Het besluit dat zij namen en waarvan zij hoopten dat het als voorbeeld zou dienen, werd niet door anderen genomen. Toch is er door hun handelen „iets minder leed geschied”.

C. Borstlap

Nuenen