Elke vondst zijn kleine verhaal

Het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden kiest op de nieuwe afdeling Archeologie van Nederland voor ouderwetse chronologie en minder pretenties. 75 archeologische vindplaatsen vertellen er hun eigen geschiedenis.

Postmoderne archeologen noemen Luc Amkreutz en Annemarieke Willemsen zichzelf. Ze zijn de samenstellers van de nieuwe afdeling Archeologie van Nederland in het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden, die vandaag door kroonprins Willem-Alexander is geopend. Verwacht van hen niet hét verhaal van Nederland in de Steentijd, IJzertijd, de Middeleeuwen of welke historische periode ook. Ze hebben gekozen voor de kleine verhalen die 75 archeologische vindplaatsen vertellen over 300.000 jaar geschiedenis.

Zie bijvoorbeeld het skelet van de hond dat in 1997 bij Hardinxveld-Giessendam is opgegraven. Rond 5300 voor Chr. diende een eiland in een waterlandschap van meren, geulen, rivieren en moerassen als jaarlijks winterkamp voor een groep jager-visser-verzamelaars. Honden waren onmisbaar bij de jacht; vandaar dat de hond als volwaardig lid van de gemeenschap was begraven in het grafveld op de top van de donk (zandheuvel).

Deze plaatsgebonden en verhalende benadering is volgens Willemsen, conservator Middeleeuwen, minder pretentieus dan de vroegere meer thematische opstelling. „Wat voor een plek op een bepaald moment geldt, hoeft niet meteen voor een hele periode te gelden.” Zoals bij een met status verbonden vergulde en ingelegde gesp uit een grafveld bij Rijnsburg (550-700 na Chr.). Willemsen doet op basis daarvan geen uitspraken over de hele Merovingische periode, de dynastie van Frankische koningen in West-Europa in de vijfde tot achtste eeuw. Liever kiest ze voor onderzoek van één plek, of één categorie vondsten, zoals schoolmateriaal. „Zo kom je dichter bij de mensen. Veel bevredigender dan nóg een handboek schrijven over dé Middeleeuwen.”

Luc Amkreutz is als conservator prehistorie bezig met de afronding van een proefschrift over de neolithisering, de overgang van jagen en verzamelen naar landbouw bedrijven. Hij is meer analytisch en theoretisch ingesteld. „Ik vergelijk wel meerdere vindplaatsen uit het vijfde millennium met elkaar.”

Dat vindt zijn weerslag in de nieuwe opstelling. De visfuik die jager-verzamelaars bij Bergschenhoek (Zuid-Holland) gebruikten ligt vrijwel naast het aardewerk van de eerste boeren bij het Limburgse Elsloo. Bezoekers kunnen zo zelf constateren dat de neolithisering niet overal tegelijkertijd plaatsvond. Want alles is met behulp van een 120 meter lang, manshoog wit kunststoffen lint niet thematisch maar ‘ouderwets’ chronologisch gepresenteerd.

De vernieuwde opstelling – de vorige Archeologie van Nederland was gemaakt in 1993 – toont ook vondsten van na 1500. Onder meer zijn een teljoor (eetbord), een leren muil en een harpoen uit het Behouden Huys van Willem Barentsz op Nova Zembla te zien. En het skelet van een in de Tachtigjarige Oorlog omgekomen paard, dat afgelopen zomer in een massagraf in Borgharen is gevonden. Er is de inhoud van een schuttersputje van een Duitse soldaat bij vliegveld Welschap. Het past in de recente ontwikkeling dat ook in Nederland archeologen zich met de perioden na de Middeleeuwen bezighouden. Zoals de tekst bij de tentoonstelling besluit: „De koffiekopjes en tandenborstels van het verleden tonen wie wij ooit waren en wat Nederland heeft gemaakt tot wat het nu is. Archeologie houdt dus, net als geschiedenis, nooit op.”