Een grote kruidenierswinkel?

Het was in een van Thorbeckes kabinetten dat een minister zich eens liet ontvallen dat Nederland eigenlijk een „grote kruidenierswinkel” was. Dezelfde bewindsman, P. P. van Bosse, die vijf keer minister van Financiën is geweest, opperde ook eens de mogelijkheid Limburg aan Duitsland af te staan in ruil voor een gunstig handelsverdrag.

Terzelfdertijd diende het liberale Kamerlid Dumbar steevast elk jaar een motie in om de diplomatieke dienst af te schaffen. Nederland kon volstaan met consuls. En toen een Franse krant de Staten-Generaal eens vergeleken had met een kamer van koophandel, noemde de latere volkenrechtsgeleerde T. M.C. Asser, naar wie in Den Haag een instituut en een laan zijn vernoemd, dit een „eretitel”, een geuzennaam.

Betoonde minister Uri Rosenthal, ook liberaal, zich een waardig nazaat van deze heren toen hij onlangs in een interview met de Volkskrant zei: „Ik wil de economische diplomatie zeer sterk aanzetten. We moeten het postenwerk volop benutten voor handelsbevordering. De consulaire poot wordt versterkt”?

Waarschijnlijker is het dat hij wil breken met de gidslandgedachte, een gedachte die van eerder dateert dan 1973, toen het kabinet-Den Uyl haar tot de zijne maakte. In 1913 had een andere volkenrechtsgeleerde, C. van Vollenhoven, Nederland al eens opgeroepen de rol van Jeanne d’Arc op zich te nemen. Zelfoverschatting is de erfenis van een klein land met een groot verleden.

Maar de nadruk op economische belangen kan ook te ver gaan. Onlangs werd een rapport bekend waartoe de Britse minister van Buitenlandse Zaken, David Owen, in 1979 opdracht had gegeven. Hij had zich namelijk overrompeld gevoeld door de revolutie in Iran, die de sjah, eens een pijler van het westerse veiligheidsstelsel, had verjaagd en de antiwesterse ayatollahs aan de macht had gebracht.

Hoe kwam het dat hij daar niet op voorbereid was geweest? Het onderzoek waartoe hij opdracht had gegeven, wees uit dat de Britse diplomatie in Teheran geen oog had gehad voor wat er in Iran broeide. Blindelings was zij ervan uitgegaan dat de sjah zich kon verheugen in de volksgunst en trouwens beschikte over zo’n sterk intern veiligheidsapparaat dat hij elke storm zou kunnen weerstaan.

Die onvoorwaardelijke steun aan de sjah ging zelfs zo ver dat, toen er in het Lagerhuis eens vragen waren gesteld over martelpraktijken van dat apparaat, het Foreign Office een concept-antwoord eerst ter goedkeuring aan de sjah liet voorleggen. Dit alles gebeurde onder een Labourregering.

In Engeland zelf had die regering met grote economische moeilijkheden te kampen (die ten slotte zouden leiden tot haar val in 1979 en de komst van Thatcher). In die moeilijkheden was een bloeiende handel met Iran buitengewoon welkom, zo niet onmisbaar – ook al bestond die handel vooral uit grootscheepse wapenexport.

Zo zien we dat, als een buitenlandse politiek zozeer gefocust is op handelsbevordering, er blinde vlekken voor andere ontwikkelingen kunnen ontstaan, die per slot van rekening ook fataal kunnen worden voor die handelsbevordering, want wapens levert Engeland wel niet meer aan Iran.

Nu moet hier onmiddellijk gezegd worden dat zulke fixaties op één doel niet alleen economisch, maar ook politiek gemotiveerd kunnen zijn. Zo was de Nederlandse buitenlandse politiek onder Luns (1952-1971) zozeer gefixeerd geweest op het Russische gevaar dat zij geen oog had voor wat er broeide in het niet-Russische deel van Oost-Europa.

Zelfs de breuk van de communist Tito met Moskou in 1948 werd jarenlang als een doorgestoken kaart beschouwd. Bovendien: communisten, van welk pluimage ook, daar praat je niet mee. Ook de PvdA had last van die fixatie. Zij was zowat de laatste sociaal-democratische partij die contact zocht met Tito, die, al was hij dan communist, toch een potentiële bondgenoot was tegen de Sovjet-Unie. (Na de opkomst van Nieuw Links sloeg de PvdA naar de andere kant uit.)

Toen in 1956 in Polen onrust ontstond, die tot gevolg had dat Gomulka, een communist die onder Stalin uit de gratie was gevallen – in andere landen zou hij zijn terechtgesteld – aan de macht kwam, werd de rapportage van de Nederlandse ambassadeur in Warschau niet au sérieux genomen. (Het is waar: die beschreef Gomulka als een soort sociaal-democraat, wat hij nu ook weer niet was.)

En toen, een kleine 25 jaar later, het in Polen werkelijk begon te bewegen met de stakingen van Solidarnosc en een jonge diplomaat, die zijn contacten had, daarover een concept-rapport had geschreven, kreeg hij van zijn ambassadeur, die waarschijnlijk het lot van de rapporten van de zijn voorganger indachtig was, te horen: „Ach dat lezen ze in Den Haag toch niet.” Fnuikend natuurlijk voor de ambitie van die jonge diplomaat.

Nu zou het ook van zelfoverschatting getuigen de invloed van de Haagse diplomatie op één lijn te stellen met de Londense, maar zolang een staat prijs stelt op het onderhouden van een eigen diplomatie, moet deze waken voor fixatie en zelfverblinding. Voortdurend zelfonderzoek is ook nodig. David Owen gaf het voorbeeld.