De ontslagen bankier die thuis ontucht pleegde

Mag een werknemer die in de cel belandt, altijd op staande voet worden ontslagen?

Nee. Alleen in geval van ‘bijzondere omstandigheden’.

De Zaak. Een bankemployé eist het intrekken van zijn ontslag op staande voet en hervatting van loonbetaling vanaf het moment dat hij weer beschikbaar is voor het werk.

De feiten. De bank was met betalen gestopt omdat de employé in de cel zat. De 60-jarige bankier was gearresteerd wegens jarenlang seksueel misbruik van ten minste één van zijn minderjarige stiefkinderen. Daarvoor werd hij veroordeeld tot drie jaar cel, waarvan een voorwaardelijk.

Een half jaar na de veroordeling en een week nadat de employé de bank meldde af te zien van hoger beroep, werd hij op staande voet ontslagen. De bank noemt zijn gedrag onaanvaardbaar. „Het vertrouwen dat wij in u moeten kunnen stellen is onherstelbaar geschaad.” De bank vindt niet dat voortzetting van de arbeidsrelatie „redelijkerwijs gevergd kan worden”, ook gezien de ernst van het delict en onrust onder het personeel.

Spreekt zo’n ontslag niet voor zich? Voor de bank wel. Die noemt verder dat de man ruim twee jaar afwezig was, waardoor hij zich niet kon aanpassen aan veranderingen op de werkvloer. De bank vindt dat een langdurige onderbreking van werk door detentie altijd reden voor ontslag op staande voet mag zijn.

Wat zegt de rechter? De Hoge Raad vindt, net zoals de kantonrechter en het gerechtshof, dat de bankier ten onrechte op staande voet is ontslagen. Een strafrechtelijke veroordeling, gevolgd door een langere periode van detentie is „in beginsel geen reden voor ontslag op staande voet”. Behalve bij „bijzondere omstandigheden”.

Hoe wordt dit gemotiveerd? De bank heeft gewacht met het ontslag. De man werd niet ontslagen toen hij was gearresteerd en ook niet toen hij werd veroordeeld, maar pas nadat hij afzag van hoger beroep. Pas toen kwam de bank in actie. Met de noodzaak om op staande voet afscheid van hem te nemen viel het dus wel mee.

Het seksuele misbruik voltrok zich volgens de rechter bovendien „geheel in de privésfeer”. Van „enige negatieve invloed op zijn functioneren als werknemer” was niets gebleken. De bank leed evenmin schade door zijn afwezigheid. Zijn loon werd al ingehouden en zijn werk verdeeld over collega’s. Na zijn ontslag is zijn functie evenmin opengesteld. De werknemer is bovendien zestig en werkte al sinds 1971 bij de bank.

Dit alles meegewogen, mét zijn resterende kansen op de arbeidsmarkt, vindt de rechter ontslag op staande voet niet gerechtvaardigd. De ernst van het delict en de onrust bij terugkeer onder collega’s „brengen hierin geen verandering”.

Volgens de Hoge Raad bestaat er geen algemene ‘subregel’ dat werkverzuim door verblijf in de gevangenis altijd een dringende reden is voor ontslag op staande voet, tenzij er bijzondere omstandigheden zijn. De redenering van de lagere rechters is „niet onbegrijpelijk”.

Folkert Jensma