De beste friet van de stad

Pas als ik bij de tramhalte sta, voel ik dat het onverwacht hard waait; ik ga met mijn rug naar de wind staan om ervoor te zorgen dat het aan de andere kant van de lijn niet klinkt alsof ik me in een bijbelse storm bevind. Eigenlijk is bellen op straat niet erg prettig, iets

Pas als ik bij de tramhalte sta, voel ik dat het onverwacht hard waait; ik ga met mijn rug naar de wind staan om ervoor te zorgen dat het aan de andere kant van de lijn niet klinkt alsof ik me in een bijbelse storm bevind. Eigenlijk is bellen op straat niet erg prettig, iets wat ik steeds opnieuw lijk te vergeten: ik maak geregeld plannen om het halen van een brood ‘lekker handig’ te combineren met een zakelijk telefoontje naar mijn boekhouder over ingewikkelde facturen. Zodat ik vervolgens al lopend over straat iets zinnigs probeer te zeggen over 0 procent btw, terwijl ik zwalkende duiven, Bugaboo’s en auto’s probeer te ontwijken en al zo snel bij de supermarkt ben dat ik nog een kwartier voor de zoevende ingang in de kou sta te bellen.

Dit keer ben ik echter verwikkeld in een lang verhaal van een vriend dat ik niet zomaar wil afkappen. Als de tram eraan komt, zijn we nog aan het praten, dus ik stap al bellend naar binnen, pak mijn portemonnee en check in. Als ik wil doorlopen, hoor ik opeens de stem van de conducteur: „Je mag me wel even aankijken hoor!” Verschrikt kijk ik op. Achter het licht spiegelende glas kijkt de man me geïrriteerd aan. „Dat komt maar bellend binnen”, vervolgt hij. „Iedereen is altijd maar aan het bellen tegenwoordig.” Ik zeg tegen de vriend: „Ik bel je later terug”, hang op en zeg sorry.

Later realiseer ik me dat in deze uitbarsting misschien wel de tragiek van het moderne conducteurschap lag besloten. Vroeger was je als conducteur de poortwachter van de tram en had je een moment van contact met iedereen die binnenkwam. Je stempelde strippen, verkocht losse kaartjes en wees streng op het bordje dat meldde dat ijsjes verboden waren. Op chagrijnige momenten knikte je onderuitgezakt de reizigers toe, op goedgemutste dagen maakte je grapjes, knipoogde je naar een omaatje en kon je door de intercom aan de mededeling „halte ’t Spui” ook nog toevoegen dat hier naar jouw bescheiden mening de beste friet van de stad werd gebakken.

De geaffecteerde computerstem die nu de haltes omroept voegt hier nooit een persoonlijke noot aan toe. En de chipautomaat is het middelpunt van het contact met de mensen geworden. Zodra je binnenkomt richt je daar je aandacht op, je checkt piepend in en loopt door. Niemand kijkt meer naar de conducteur, die als vergeten in het glazen hokje zit. En aangezien de chipautomaat onverschillig is als het gaat om beleefdheden, loopt iedereen bellend, pratend en zonder te groeten voorbij.

Daarom wil ik iedereen oproepen de conducteur voortaan glimlachend en vrolijk met een ijsje zwaaiend te groeten. Ze hebben het nodig.