Wegbereiders voor toekomstige daden

Jared Loughner las niet Sarah Palin, maar Friedrich Nietzsche (Der Wille zur Macht), want hij was sterk geïnteresseerd in het nihilisme, schrijft The New York Times vandaag.

Het bewijst maar weer hoe voorzichtig we moeten zijn met het suggereren van oorzakelijk verband tussen de moorden in Tucson en het rechts-extremisme in de Verenigde Staten.

Dat begint daar steeds meer tot de prominente opiniemakers door te dringen. Ook Jon Stewart, de tv-satiricus, wil niet de schuld bij rechts leggen. „En dat zegt iemand die een diepe haat koestert tegen het politieke klimaat. Het is giftig, niet productief.” Hem lijkt Loughner een gek, en „gekte vindt altijd zijn weg”.

Stewart keek er nogal ongemakkelijk bij toen hij dat zei, want er blijft iets wringen. Vooral de vraag: waarom keerde Loughner zich uitgerekend tegen een politicus, en niet tegen een of andere willekeurige andere beroemdheid?

Paul Krugman, columnist van The New York Times, verwoordde het zo: „Het is waar dat de schutter in Arizona geestelijk gestoord lijkt te zijn geweest. Maar dat betekent nog niet dat zijn daad kan worden behandeld als een geïsoleerde gebeurtenis, die niets te maken heeft met het nationale klimaat.”

Zo blijven we worstelen met deze gruwelijke schietpartij. Zelf werd ik nogal bekoord door een kernachtig ingezonden briefje in The New York Times van lezeres Mary-Powel Thomas uit Brooklyn.

„Een adviseur van Sarah Palin verdedigt haar door te zeggen: ‘Ik begrijp niet hoe iemand verantwoordelijk kan worden gehouden voor een daad van iemand die geestelijk volkomen instabiel is.’ In zeker opzicht heeft ze gelijk. Er zullen altijd mensen zijn die geestesziek zijn en sommige zullen gewelddadig worden.

Maar dat maakt het des te belangrijker om voorzichtig te zijn met onze woorden, zodat men zich zelfs niet kan voorstellen dat ze een oproep tot geweld zijn.”

Dat is ook wat die sheriff van Tucson bedoeld moet hebben toen hij zich kort na de moorden boos maakte over „de vitrioolretoriek die we dag in dag uit op radio en tv horen”.

In veel van dergelijke commentaren voel ik de bezorgdheid dat het op een dag in dit verhitte politieke klimaat nog erger uit de hand loopt, omdat de moordenaar(s) nu eens niet een geïsoleerde gek is, maar een doelbewuste politieke killer, al of niet aangestuurd door een of andere sinistere organisatie.

Wat die sheriff in al zijn eenvoud zei, deed mij denken aan de gedachten die Franz Kafka bijna een eeuw geleden wijdde aan de destructieve kracht die het woord kán hebben.

Zijn vriend Gustav Janouch liet hem een scheldbrief van iemand lezen en Kafka zei: „Ieder scheldwoord vernielt de grootste uitvinding van de mens: de taal. Wie scheldt beledigt de ziel. Het is een moordaanslag tegen de genade. Maar die begaat ook hij die de woorden niet juist afweegt. Want spreken is wikken en wegen. Het woord is een beslissing tussen dood en leven.”

Later sprak Kafka een ambtenaar die zich woedend over zijn werkomgeving uitte („Ze moesten die hele troep hier in de lucht laten vliegen!”) en zich vervolgens verontschuldigde: „Wat ik zei waren maar woorden…”

Toen viel Kafka hem in de rede: „Dat is juist zo gevaarlijk. Woorden zijn wegbereiders voor toekomstige daden, vonken van toekomstige branden!”