Verenigde Staten afhankelijk van eigen aardolie

Na de oliecrises van 1973 en 1979/1980 ‘ontdekte’ de VS de olie uit de Golf van Mexico. Een ramp was onafwendbaar. Hoe verder?

De Verenigde Staten zijn met afstan ’s werelds grootste consument van aardolie. Ze verbruiken dagelijks 19 miljoen vaten olie, omgerekend bijna een kwart van de wereldwijde consumptie. Na de olieramp in de Golf van Mexico is de vraag: tegen welke prijs willen de VS hieraan vasthouden? Hoeveel levens moeten er nog verloren gaan bij de oliewinning, en hoeveel milieuvervuiling is er nodig om de Amerikanen van hun olieverslaving af te helpen?

De commissie die in opdracht van president Barack Obama de oorzaken van de olieramp heeft onderzocht, en gisteren haar ruim 300 pagina’s tellende eindrapport presenteerde, laat er geen twijfel over bestaan. Ze schrijft: „Gegeven Amerika’s consumptie van olie zal het de komende jaren nodig zijn aanvullende voorraden op eigen bodem te vinden en in gebruik te nemen.” Kortom, in de toekomst blijven oliemaatschappijen zoals het Britse BP gewoon naar olie en gas boren in de Golf van Mexico. De vraag is: hoe streng worden de regels? En in hoeverre zorgen die regels ervoor dat tanken aan de pomp duurder wordt voor de Amerikaan?

Dit is een discussie over externe kosten. Hoe minder regels de toezichthouder stelt aan de oliewinning, hoe groter de kans op ongelukken en op milieuschade. Maar minder regels zorgen er ook voor dat de prijzen aan de pomp laag blijven, wat de Amerikanen graag willen. Hoe weeg je deze factoren tegen elkaar af?

De keuze van Amerika in de afgelopen twintig jaar is duidelijk. Oliewinning op eigen bodem werd na de oliecrises van 1973 en 1979/1980 gestimuleerd, om maar niet te afhankelijk te worden van import uit landen als Venezuela en Saoedi-Arabië. De toezichthouder op de oliesector werd gekort op zijn budget. In 1984 kreeg hij nog 250 miljoen dollar, in 1990 was dat nog maar 160 miljoen. En tot 2009 is dat budget, gecorrigeerd voor inflatie, niet toegenomen. Het toezicht verslapte, terwijl het tegenovergestelde nodig was. Oliemaatschappijen hadden nieuwe technologieën ontwikkeld om in steeds diepere wateren te boren. In de Golf van Mexico kwam een bonanza op gang. Het maakte Amerika minder afhankelijk van import, maar de nieuwe technieken brachten ook nieuwe veiligheidseisen met zich mee. Die werden door de toezichthouder echter amper opgelegd. Het aantal onverwachte controles van boor- en productieplatforms in de Golf van Mexico nam snel af van bijna 3.000 in 1990 tot zo goed als nul sinds 2000.

De Oil Spill Commission beschrijft de externe kosten. Sinds 2001 zijn in de Golf van Mexico 1.550 ongelukken gebeurd. Daarbij vielen 60 doden. Er vonden 948 branden en explosies plaats. De olieramp van vorig jaar heeft tot ernstige milieuschade geleid, en heeft vele levens ontwricht.

De uiteindelijke kosten van de olieramp zijn nog niet bekend, maar zullen in de tientallen miljarden lopen. Het merendeel daarvan wordt nu opgebracht door BP, via de verkoop van onderdelen. De beurswaarde van het bedrijf, die na de ramp meer dan halveerde, is alweer een heel eind hersteld.

De cruciale vraag is hoe streng de regels van de nieuwe toezichthouder worden. Hoeveel duurder wordt oliewinning in de Golf van Mexico daardoor? Als de kosten al te veel stijgen, zijn de oliemaatschappijen dan nog wel bereid te investeren? De industrie protesteert in ieder geval fel tegen de nieuwe regels die de commissie gisteren heeft voorgesteld.

Wat betekenen de nieuwe regels voor de werkgelegenheid in de zuidelijke staten, waar de olie- en gassector een belangrijke werkgever is. En in hoeverre gaan de prijzen aan de pomp erdoor stijgen? Accepteren Amerikanen een structurele prijsstijging van 2 dollarcent, van 10 dollarcent, van 50 dollarcent? En als de oliewinning in de Golf van Mexico afneemt, zal Amerika dan meer moeten gaan importeren, waardoor de afhankelijkheid stijgt, en de importrekening groeit. Of maken de VS meer werk van zuinigere auto’s, biobrandstoffen en elektrische auto’s?