Sleutelen aan de genen van piepers en penen

Onder druk van de concurrentie op de wereldmarkt doet Europa proeven met genetisch gemanipuleerde gewassen. De ‘gangbare’ boer ziet er verlangend naar uit, de ‘biologische’ boer vreest voor zijn schone teelt.

Renée Postma

Uiterlijk verschillen de akkerbouwbedrijven van Evert Rienks en Jacob Bartelds weinig van elkaar. Hun moderne woonhuizen liggen naast enorme schuren, omgeven door tientallen hectaren open land. Aan het begin van het nieuwe jaar ligt alles te wachten: het land op het moment dat de trekkers straks weer uitrijden; de hoge schuren op het moment dat de laatste tonnen aardappels, uien en peen van het afgelopen seizoen worden opgehaald door de afnemers.

Binnen trekken Rienks en Bartelds hun plannen voor de komende tijd. Ze staan voor twee verschillende visies op een van de grootste revoluties in de Nederlandse akkerbouw: de komst van gewassen (GGO’s) die genetisch zo zijn gemodificeerd, dat ze beter tegen ziektes kunnen. Daardoor hoeft er minder te worden gespoten en zullen de kosten lager zijn, aldus de producenten.

Rienks is een biologische akkerbouwer. Op 80 hectare vruchtbare klei in de Flevopolder bij Dronten teelt hij consumptieaardappelen, graan, ui en peen. Hij wisselt ze zodanig af, dat een gewas eenmaal per zes jaar op een bepaald stuk grond staat. Deze vruchtwisseling houdt de grond in evenwicht en zo blijft de ‘ziektedruk’ vanuit de bodem laag, legt Rienks het principe van de biologische landbouw uit.

Bartelds boert op het zand van de voormalige veenkolonie van Tweede Exloërmond in Drenthe. Samen met zijn broer Geert bebouwt hij 350 hectare. De helft staat straks weer vol met zetmeelaardappels, de andere helft wordt opgedeeld tussen suikerbieten en graan. Eens in de twee jaar staan de zetmeelaardappelen op hetzelfde stuk grond. Het is intensieve landbouw die veel vraagt van de schrale grond.

De akkerbouwer uit de Veenkoloniën zou graag genetisch gemodificeerde zetmeelaardappelen telen, als die beschikbaar zouden zijn. Bijvoorbeeld een aardappel die resistent is tegen de phytoph-thora, de door iedere teler gevreesde aardappelziekte. Of een aardappel die alleen een bepaald soort zetmeel (amylopectine) produceert, zodat je bij de verwerking later niet allerlei chemische processen hoeft toe te passen om het zetmeel uit de aardappel te halen, voor industriële toepassingen. Dat scheelt allemaal kosten en belast het milieu minder, stelt Bartelds.

Een jaar of tien geleden heeft hij bij wijze van proef zes hectare van die GGO-zetmeelaardappelen mogen poten. Het eerste jaar leverde een oogst op die is afgezet bij non-foodbedrijven, zoals de papierindustrie. Het tweede seizoen stond net in de grond, toen de GGO- aardappelen er op last van het ministerie van VROM ineens weer uit moesten.

De discussie over de mogelijke negatieve effecten van GGO’s op mens en milieu was in alle hevigheid losgebarsten in Nederland en ook in de landen om ons heen. In Europa ging de deur op slot.

In 2010 is de Europese deur weer een eindje opengegaan. Er kwam een nieuwe Europese commissaris voor Voedselveiligheid, John Dalli, die de indruk wekt dat hij de impasse rond de GGO’s in Europa wil doorbreken. Er werd een nieuwe GGO-aardappel vrijgegeven voor de teelt (zie ‘Europese procedure voor toelating GGO’). En er ligt een voorstel om de lidstaten van de EU voortaan zelf te laten bepalen of en in hoeverre ze GGO-teelt willen toelaten. Wie niet wil, hoeft niet, is het voorstel dat deze dagen wordt besproken door de Europese ministers van Landbouw.

Nederland wil graag meedoen. „De genetische modificatie hoort gewoon in het toekomstige gereedschapskoffertje met nieuwe veredelingstechnieken”, stelt Jaap Satter, die zich op het nieuwe ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (EL&I) met het dossier bezighoudt.

Nederland loopt immers internationaal voorop met de ontwikkeling van nieuwe zaden en gewassen. Het economisch belang van de sector is groot. Per jaar wordt er voor 2,5 miljard euro geëxporteerd. Daarom steunt de regering ook de ontwikkeling van een genetisch gemodificeerde phytophthora-resistente aardappel door de Universiteit van Wageningen en het bedrijfsleven.

Maar na alle ophef van de afgelopen jaren, waarin voor- en tegenstanders van GGO-gewassen steeds feller tegenover elkaar kwamen te staan, moet Satter behoedzaam formuleren: „Nederland wil dat de EFSA-veiligheidsprocedure op een rationele manier wordt doorlopen”.

Satter benadrukt dat er op dit moment helemaal geen teelt is van GGO-gewassen in Nederland en hij denkt dat er voor Nederlandse boeren ook weinig reden is om dat wel te gaan doen. Maar dat kan veranderen. In Nederland zijn, in een convenant tussen marktpartijen, voorlopige afspraken gemaakt om te voorkomen dat GGO-gewassen niet-GGO-gewassen zich ‘vermengen’ – de nachtmerrie van veel consumenten en biologische akkerbouwers.

Zo moeten velden met GGO-mais en niet-GGO-mais minstens 25 meter uit elkaar liggen als het gaat om de gangbare landbouw. Gaat het om een gangbaar bedrijf naast een biologisch bedrijf, dan moeten de velden 250 meter uit elkaar liggen. Maar de afspraken zijn nog niet bindend en ook is er geen schadefonds geregeld.

Verder zijn er Europabreed afspraken gemaakt over wat wel en niet geldt als product waar GGO in zit. Als er minder dan 0,9 procent ‘genetische vervuiling’ in zit, hoeft er geen etiket op met GGO. Is het meer dan 0,9 procent, dan moet dat wel.

Er zit volgens Satter bij voorbaat wel „een zekere hypocrisie in de hele discussie”, omdat 70 procent van de mais en soja die worden ingevoerd uit Noord- en Zuid-Amerika wél GGO’s bevatten. Het veevoer dat daaruit wordt gemaakt, is dus al bij voorbaat vervuild.

Evert Rienks is in 1998 omgeschakeld naar de biologische landbouw, omdat hij „moe was geworden van het imago van de gangbare landbouw”. Het genetisch modificeren van gewassen om een grotere en goedkopere oogst te krijgen, druist in tegen alles waar hij in is gaan geloven: duurzame akkerbouw die tot in lengte van jaren voor goede en gezonde producten kan zorgen.

In dit hoekje van de Flevopolder heeft een hele groep boeren deze richting gekozen. De bedrijven die dat nog niet gedaan hebben, vormen geen bedreiging. Deze gangbare boeren kunnen zonder GGO-gewassen nog genoeg verdienen.

Maar met een markt waarop de landbouwproducten uit de hele wereld hevig met elkaar concurreren, kan dat ineens anders zijn. Rienks voelt zich onvoldoende beschermd door de afspraken die er nu liggen. „Als een gans een GGO-aardappel van de buren meeneemt en hier laat vallen, word ik als biologische boer afgekeurd”, voorspelt hij.

Ook betwijfelt Rienks of geen spontane kruising zal plaatsvinden. Zeker als het om graan gaat. De afspraken die er zijn gemaakt over afstanden noemt hij „een wassen neus”. Zeker als het om stuifmeel gaat. De schade kan aanzienlijk zijn. „Als hier een vervuiling wordt geconstateerd, dan hoeft mijn afnemer mijn spullen niet meer.”

Rienks noemt de teelt van GGO-gewassen „een korte termijn visie”. De intensieve akkerbouw, zoals op het bedrijf van Bartelds, kan er een nieuwe impuls door krijgen. Maar de specifieke eigenschappen van de GGO-gewassen gaan in een paar jaar tijd verloren, weet Rienks, en de gewassen zelf worden steriel, zodat je telkens weer nieuwe soorten moet aanschaffen bij de producent. De Nederlandse politiek zou veel meer moeten kijken naar landen als Argentinië en de Verenigde Staten. „Als de schade daar beter in beeld zou worden gebracht, zou Den Haag meteen zeggen: dit moeten we niet.”

De introductie van GGO-gewassen op de akkers is niet de enige revolutie die de Nederlandse landbouw te wachten staat. Brussel staat ook op het punt om de landbouwsubsidies ingrijpend te veranderen. Op dit moment krijgt Bartelds voor zijn bedrijf op de arme grond van de Veenkoloniën nog 50 procent steun uit Brussel. Onder de nieuwe begroting voor landbouw in de EU, die in 2013 van kracht wordt, zal dat niet meer het geval zijn, vreest hij.

Het wegvallen van de Europese steun zal ingrijpende gevolgen hebben voor akkerbouwers zoals hij. Volgens Bartelds vergelijkbaar met het in één klap opheffen van de aftrek van hypotheekrente voor huizenbezitters. Zijn generatie die gewend is geraakt aan een halve eeuw toenemende landbouwsteun uit Brussel, zal straks moeten zien te overleven op een vrije markt die voortdurend bestookt wordt met goedkope producten uit andere delen van de wereld. Wat hem betreft zijn GGO-gewassen een „welkome tool” om op die markt te overleven.

Op de rijke klei van de Flevopolder is Evert Rienks veel minder afhankelijk van Europese steun. Voor zijn biologische bedrijfsvoering maakt het eigenlijk weinig uit. „Afhankelijkheid is levensgevaarlijk”, reageert hij. „Het infuus van de Europese subsidies wordt alleen maar vervangen door het infuus van de chemie-industrie”, zegt de biologische boer doelend op het belang dat chemiebedrijven hebben bij de GGO’s.

De enige oplossing ligt volgens hem in het verlaten van de intensieve akkerbouw, waarbij de grond jarenlang wordt uitgeput. „Als iemand zijn kop in de strop heeft kan hij niet anders. Maar er moeten meer alternatieven worden geboden.”

Rectificaties / gerectificeerd

Correcties & aanvullingen

In Sleutelen aan de genen van piepers en penen (12 januari, pagina 16) wordt akkerbouwer Jacob Bartelds opgevoerd. Hij heet Jakob Bartelds.