Onderwijs als snoeiharde economische productiefactor

Er bestaat politieke politiek en inhoudelijke politiek. In kranten en op radio en tv gaat het steeds meer over de eerste variant: hoe verhoudt zich de linkervleugel van het CDA tot de PVV; koos Jolande Sap met haar eerste column niet onmiddellijk partij voor de SP, daarmee de schatplichtigheid aan haar libertaire voorgangster Halsema bij de eerste gelegenheid verloochenend? Interessante vragen, maar om het politieke besluitvormingsproces er vrijwel louter toe te verengen, is wat cru. Er is warempel ook nog een inhoudelijke component.

Neem onze onderwijspolitiek. Bijna een miljoen kinderen zitten tot het eindexamen op school. Aan dat primair en voortgezet onderwijs wordt relatief weinig aandacht besteed. Terwijl het in louter dit onderwijssegment niet alleen om zo’n slordige 20 miljard euro draait (bijna tweeënhalf keer de Defensiebegroting), maar ook om een snoeiharde economische productiefactor. Het basisonderwijs is wat het woord al zegt: de basis. Daar gaan we slordig mee om.

Er moet meer aandacht voor vakmanschap, voor kwaliteit en vooral voor prestatiegerichtheid komen. Meer aandacht voor de kennisfactor, meer aandacht voor taal en rekenen. Strenger examineren, meer eisen stellen, maar ook meer structuur bieden. Niet alleen rechten voor leerlingen, maar ook plichten. En we moeten definitief af van het idee dat verbeteringen in het onderwijs alleen plaats kunnen vinden wanneer de overheid een nieuwe zak met geld aanreikt. Er valt bijster veel aan ons onderwijs te verbeteren wat geen cent kost, maar wel een mentaliteitsverandering vergt.

Zo dient de bekostiging van het onderwijs veel meer geënt te worden op het bevorderen van kwaliteit in plaats van op perverse prikkels die kwaliteit tegenwerken. Niet ‘hoeveel diploma’s jaag je er doorheen’, maar ‘is het bedrijfsleven wel tevreden met de mensen die met een vers diploma op de arbeidsmarkt komen?’ moet maatgevend zijn. Dat valt te meten. Hetzelfde geldt voor uniforme begin- en eindtoetsen in het basis- en voortgezet onderwijs, die het begrip ‘leerwinst’ inzichtelijk maken. De vooruitgang die een kind specifiek door het ontvangen onderwijs boekt, kan medebepalend zijn voor de bekostiging van het onderwijs én voor de prestatiegerichte beloning voor de individuele docent.

Verder moet er op alle niveaus in het Nederlandse onderwijs meer aandacht voor talentontwikkeling komen. We besteden eenzijdig veel aandacht (en geld) aan zorgleerlingen – onder de gelijktijdige verwaarlozing van talent. In ons onderwijs moet nadrukkelijk meer aandacht ontstaan voor het willen excelleren. Ik ben werkelijk geschrokken van de vele mails van wanhopige ouders over de ellende die hoogbegaafde kinderen in ons onderwijs ondervinden.

Binnen beschikbare ‘potjes’ voor zorgleerlingen is het nu al mogelijk om geld voor hoogbegaafde kinderen vrij te maken. We hebben alleen de mentaliteit er niet voor om meer aandacht te besteden aan wie fiks boven het maaiveld uitsteekt. We (lees: de overheid) weten niet eens, omdat het ons niet interesseert, hoeveel er besteed wordt aan intelligente hoogvliegers. Waarom stapte de publieke omroep niet in het gat dat de commerciëlen achterlieten toen de Achmea Kennisquiz wegviel, een quiz waarin presteren en kennis niet als een rare afwijking van strebers werd beschouwd?

En ten slotte dient de bestrijding van onze zesjescultuur niet alleen met de mond beleden te worden. Dat betekent dat de waarde van diploma’s omhoog moet. Ik sprak onlangs een rechtenstudent hbo. Hij was één van de twee (2!) studenten uit zijn ‘klas’ van 32 leerlingen die geslaagd waren voor een taaltoets in het eerste jaar, een toets die is ingesteld omdat op de havo te weinig eisen zijn gesteld. Dit is inmiddels gewoon en moet radicaal bestreden worden. Niet door havo-opleidingen te verbieden strenge eisen te stellen aan wie ze binnenlaten. Ook (juist zelfs) op het vmbo en de gelukkig uit de dood herrezen mavo moet strenger worden geëxamineerd om over de hele linie de kwaliteit omhoog te krijgen. En ja, dat zal leiden tot meer kinderen die gaan zakken. En ja, dát zal vervolgens leiden tot hevig gepiep van moeders bij ons als volksvertegenwoordigers om daar iets tegen te doen. Maar juist die druk moeten verantwoorde politici weerstaan.

Dit is nog maar een deel van wat ik als politicus namens de grootste regeringspartij heb bepleit. Veel zal worden gerealiseerd als het kabinet tijd van leven houdt. Ik vind dat daar meer aandacht voor moet bestaan dan voor de politieke politiek en het partijenpositiespel.

Ton Elias is Kamerlid voor de VVD. Hij schrijft beurtelings met Jolande Sap (GroenLinks) en Martin Bosma (PVV) deze wisselcolumn.