'Maak kennis met de heren Smith en Wesson'

De verbale wapenwedloop zal in de VS en Nederland nog wel even aanhouden.

Agressieve taal heeft in de competitieve mediawereld immers zijn waarde.

De Amerikaanse commentator Glenn Beck, idool van Tea Party-aanhangers, white supremacists, born again christians, en wat zich verder nog ophoudt in de meest oostelijke vijf graden van het Amerikaanse politieke spectrum, is tegen verplichte griepvaccinaties. En als de autoriteiten aan zijn deur kwamen omdat hij weigert zijn kinderen zo’n inenting te geven, sprak hij onlangs op de radio, zou hij ze „kennis laten maken met meneer Smith en meneer Wesson”. Het is maar een van de vele voorbeelden die te geven zijn van Becks bloeddorstige taalgebruik. Hij noemt Obama gewoonlijk een ‘nazi’, of vergelijkt hem met Al Capone. If you’re going to get into a fight with these guys, you better be able to battle all the way to the end. Hij zinspeelt voortdurend op het moment waarop zijn ‘strijd’, zijn ‘veldslag’, zijn ‘oorlog’, niet langer alleen met woorden gevoerd zal worden. Beck is niet de enige deelnemer aan het ‘politieke debat’ in de VS die, al dan niet omfloerst, oproept tot geweld. Sarah Palin, die haar animo voor het vuurwapen graag etaleert, geeft op o.a. Facebook een ‘hitlist’ van politieke tegenstanders die zij wil ‘uitschakelen’ en de staten die zij wil veroveren, gemarkeerd met een vizierkruis.

In juli jl. ondernam een zwaar bewapende man genaamd Byron Williams een aanslag op de Tides Foundation, een progressieve denktank in San Francisco. Twee alerte politieagenten wisten hem nog net tegen te houden en raakten gewond.

In interviews liet Williams weten te zijn geïnspireerd door Glenn Beck.

Dat het mogelijk is met behulp van propaganda gewone mensen in moordenaars te veranderen, dat weten we. Nog niet zo lang geleden bleek het nog in Rwanda, waar het Hutu radiostation RTML een sleutelrol speelde bij de genocide van 1994. Nergens was de rechts-conservatieve agitatie tegen Kennedy zo haatdragend als in Dallas, Texas. Op de ochtend van zijn fatale bezoek verscheen in alle kranten een paginagrote advertentie, voorzien van zwarte rouwrand, een quasi-mugshot en de tekst ‘Wanted for treason’. De politieke hyperbool is voor Amerika geen nieuw verschijnsel.

Mohammed B., de moordenaar van Theo van Gogh, was doordrenkt van haattaal maar (daardoor?) immuun voor die van anderen. Van Goghs ‘geiteneuker’ kon hem eigenlijk niets schelen, verklaarde hij, zijn motieven zaten dieper.

Er is de laatste tijd veel aandacht voor de schrille retoriek van rechts, bij ons voor het taalgebruik van Wilders, in de VS voor de kretologie van Fox News en de Tea Party, maar laten we niet vergeten dat links er ook wat van kan.

Het mag bizar en uitzinnig lijken om Obama een ‘nazi’ te noemen, maar dan vooral vanwege de onwennige omkering. Om rechts in verband te brengen met het Derde Rijk is in Nederland de normaalste zaak van de wereld. Pim Fortuyns woede daarover was het begin van het debat over ‘demonisering’, en toen de woorden gevolgd werden door een taart en de taart door een kogel, haalde links geschrokken de bezem door zijn vocabulaire. Volkert van der G. werd weliswaar nooit direct opgeroepen tot zijn daad, maar wel was er sprake van ‘een klimaat waarin’, et cetera.

Inmiddels is het taboe op de gaskamerinsinuatie trouwens alweer gezakt, tegen Wilders wordt hij weer geregeld in stelling gebracht (zie kader).

Maar zo’n insinuatie is nog geen oproep tot geweld. Wilders zelf ging wel ooit zo ver, toen hij naar aanleiding van onlusten met Nederlands-Marokkaanse voetbalsupporters voorstelde bij dat soort ongeregeldheden voortaan met scherp op benen en knieën te schieten. Ook de krijgsmetafoor gebruikt Wilders vaak, net als zijn Amerikaanse geestverwanten. Allochtone hangjongeren zijn ‘straatterroristen’, ‘de islam is het Paard van Troje’, maar: ‘wij capituleren nooit!’ De krijgsmetafoor verscherpt tegenstellingen en roept een sfeer van dreiging en urgentie op, maar een oproep tot geweld is het strikt genomen niet.

Of de aanslag afgelopen zaterdag in Tucson Arizona op Gabrielle Giffords en haar constituents, politiek gemotiveerd was, zal moeten blijken, maar dat er in de VS onmiddellijk een debat losbarstte over de gevaren van haattaal en geweldsretoriek, is niet voor niets. Het lijkt erop dat radicaal-rechts het idioom van het vuurgevecht bewust inzet om in te spelen op die nationale genetische eigenaardigheid van het land: een overprikkeld libido voor vuurwapens. In een groot land met veel eenzame gekken en vrij verkrijgbaar wapentuig, is dat vragen om narigheid.

Maar ook de media spelen een rol, vooral het internet. Internet kent geen captive audience, elke lezer moet elke dag weer opnieuw worden gelokt. Wie in dat oneindige universum opgemerkt wil worden moet met grof geschut aankomen. Real life-taal gaat ten onder in het tumult, maar het full metal vocabulaire van cyberspace komt in real life keihard aan. Steeds meer mensen, politici bijvoorbeeld, opereren in beide werelden tegelijk en moeten als het ware beide talen naast elkaar spreken, maar vroeg of laat ontstaat ‘overspraak’. Het woord ‘kopvod’ circuleerde op rechts-radicale blogs al jaren, Wilders spreekt het in de ‘bovenwereld’ één keer uit, en het land is te klein.

‘Why is Julian Assange still alive?’ tikt een van de achtenzeventig miljoen bloggers als hij even niets beters weet. Een uur later staat het op ‘echte’ nieuwssites, een halve dag later in de krant en de dag daarop is het de kijkersvraag bij Fox. En ís het wel een vraag?

De mainstream media passen zich aan, en zo ontstaat een race to the bottom. GeenStijl verzint ‘huilie-huilie’, Geert Wilders gebruikt het in de Kamer, de rest haakt in en, zoals iemand opmerkte bij het debat over de regeringsverklaring, de politiek ‘geenstijliseert’.

Psychopaten als Glenn Beck (of, hier te lande, een ontremde brulaap als Prem Radakishun), hebben op de hypercompetitieve mediamarkt van vandaag hun waarde en wat hun woorden uitlokken, tja, laten we eerlijk zijn, ook dát is weer goed voor de bereikcijfers. Zolang die simpele wet van kracht is, zal de verbale bewapeningswedloop nog wel even aanhouden.

Jan Kuitenbrouwer is schrijver, journalist en directeur van de Taalkliniek, een adviesbureau voor taal en communicatie. Vorig jaar verscheen zijn boek ‘De woorden van Wilders en hoe ze werken’