Liever ruwe zeden dan handjeklap in Kamer

De Tweede Kamer is de laatste jaren een arena geworden. De taal die wordt gebruikt, is soms schril. Dat vindt Femke Halsema geen verslechtering. Een – bekorte – afscheidsrede.

Sinds 1998, toen ik aantrad, zijn onze samenleving en ons parlement veranderd. De schok van de aanslag op de Twin Towers, van twee politieke moorden en van een internationale financiële en economische crisis klinkt ook door in het parlement en heeft onze politieke verhoudingen en omgangsvormen onherroepelijk veranderd. Onze samenleving is meer gepolariseerd geraakt. Ons parlement is van een vriendelijk forum meer en meer een strijdlustige arena geworden. De taal die we hanteren is soms schril, maar ook rechttoe rechtaan; de tegenstellingen zijn even hard als ze helder zijn. Mij is dat lief.

Het parlement bewijst zichzelf een heel slechte dienst als het opereert als een hermetisch gesloten systeem met eigen codes en een eigen taal, onbegrijpelijk voor buitenstaanders. De afgelopen jaren is de Tweede Kamer onmiskenbaar toegankelijker geworden. Dat is goed – veel liever hevige emoties, straatrumoer en ruwere zeden dan handjeklap en zelfgenoegzaamheid van de besloten sociëteit.

Nu de tegenstellingen in onze samenleving groter worden, is het wel de vraag hoe deze door volksvertegenwoordigers in goede banen worden geleid. Ons parlement is van oudsher de plaats waar niet alleen de meerderheid, maar ook politieke, etnische en religieuze minderheden zich gehoord en vertegenwoordigd behoren te weten. Er dient ruimte te zijn voor de geaccepteerde opvattingen, maar ook en juist voor de niet-geaccepteerde en zelfs onacceptabele opvattingen.

Nu het politieke debat niet meer alleen plaatsvindt in het parlement, maar ook op televisie en internet, lijkt het mij tijd om na te denken over de regels van parlementaire onschendbaarheid. Volksvertegenwoordigers dienen zich beschermd en vrij te weten, ook als zij meningen verkondigen die sommigen tegen de borst stuiten of zelfs ronduit kwetsen. Die bescherming zou niet alleen moeten gelden als zij achter het spreekgestoelte of bij de interruptiemicrofoon staan, maar overal waar zij uit hoofde van hun functie het woord voeren.

Voor mij geldt dat het democratische debat aan betekenis wint naarmate het scherper en helderder wordt gevoerd. Tegelijkertijd heb ik altijd geprobeerd de deugd van wellevendheid te beoefenen. Juist het besef in een bevoorrechte positie te verkeren, geeft je als parlementariër de opdracht om je in te leven in de problemen en zorgen van alle mensen die je vertegenwoordigt en om zacht over hen te oordelen – ook over de mensen die nooit op je zouden stemmen en niet onder stoelen of banken steken dat zij een hekel hebben aan je opvattingen.