KPN stopt exploitatie telefooncel

Er was nog amper belangstelling voor. Hun aantal nam daarom snel af. De laatste exemplaren hadden het zwaar. Vaak waren ze slachtoffer van zinloos geweld. De kosten om ze weer op te lappen, bleken te hoog. Jarenlang brachten ze mensen tot elkaar, maar na een lang leven is er vanochtend toch een einde aan gekomen: de openbare, telefooncel van KPN verdwijnt uit het straatbeeld.

Dat heeft het telecombedrijf vanochtend bekendgemaakt. „Exploitatie van telefooncellen in de openbare ruimte is voor KPN niet renderend omdat de kosten ervan niet worden goedgemaakt door bellende klanten.” De mobiele telefoon is volgens het bedrijf de doodsteek geweest voor de openbare telefooncel. Het vervallen van de wettelijke plicht om per 5.000 inwoners één cel in bedrijf te houden, in 2008, deed de rest.

De eerste ‘spreekcel’ werd in 1896 geplaatst op het Amsterdamse Centraal Station. In 1931 verscheen de eerste telefooncel in de openbare ruimte, op het Valeriusplein in Amsterdam. Ook vandalisme is oud: in 1933 werd in Utrecht een cel zwaar beschadigd.

Het aantal openbare telefoons, schat KPN, was het hoogst rond de jongste eeuwwisseling. Toen waren er zo’n 20.000 in Nederland. KPN heeft er nu nog 4.000 in beheer, waarvan er 1.800 onrendabel zijn.

Ondanks het verdwijnen van de groene KPN-telefooncel, kan er in sommige gemeenten nog wel ‘openbaar’ gebeld worden. Reclamebedrijf Hillenaar plaatst in samenwerking met RBL Telecom reclamezuilen anex telefooncellen. Hillenaar exploiteert daarnaast 250 telefoons zonder reclame.

De openbare telefooncel eindigt zoals hij begon: impopulair. In het begin van de twintigste eeuw waren ze veel te duur, stelt het Museum voor Communicatie in Den Haag. Een gesprek kostte een kwartje, terwijl men in cafés en in winkels voor een dubbeltje of zelfs gratis kon bellen. Ook was de spreekcel (eerst niet meer dan een houten hokje) een gehorig ding. Telefoongesprekken waren daarbuiten goed te verstaan, tot ergernis van beller en voorbijganger. Later kwam er geluiddempend materiaal, dat ook publiek afstootte. Het tijdschrift Het Leven schrijft in 1908: „En we denken met een soort huivering aan de korte, en toch te lange oogenblikken, doorgebracht in allerlei hokjes [...], kwalijk riekend, waarin men de aanwezigheid van op ons leven beluste bakteriën voelt.”