'Ik dacht dat het over inhoud ging'

Vandaag een jaar geleden verscheen het Irak-rapport van de commissie-Davids. Het leidde tot de val van het kabinet, maar verder is er weinig mee gedaan, vindt vicevoorzitter Schwegman.

Het was „best wel afkicken” voor de commissie-Davids, die precies een jaar geleden het onderzoeksrapport naar het begin van de Irak-oorlog publiceerde. De groep van Nederlands meest vooraanstaande juristen, sociale wetenschappers en historici, onder voorzitterschap van een oud-president van de Hoge Raad, „had en heeft na het intensieve werk echt wel de behoefte elkaar nog af en toe te zien”. Hoe precies en bij wie thuis, dat hoeft het land niet te weten, behalve dat het „in een reünie-achtige setting” gebeurt.

Marjan Schwegman, directeur van het Nederlands instituut voor oorlogs-, holocaust- en genocidestudies NIOD, was vicevoorzitter van de commissie. Zij verwoordt nu de „teleurstelling” over de snelheid waarmee het rapport een politiek middel werd in plaats van het eindstation van een jaar durend onderzoek. „Ik weet zeker dat de hele commissie betreurt dat het zo snel in een politieke discussie is verzand, dat er zo weinig accent is gelegd op de inhoud. Jammer was dat.”

Is dat niet juist het grootst mogelijke compliment, dat uw bevindingen zo snel zo’n grote rol gingen spelen?

„Op zich is een zwaar politieke discussie geen probleem. Daardoor was er alleen onvoldoende ruimte voor het rapport zelf. Ik had gehoopt dat politieke afwegingen zouden worden gemaakt op basis van een grondige kennisname van de inhoud.”

Wat zegt dit snelle politiseren over het Haagse politieke bedrijf?

„Het wordt blijkbaar simpelweg van politici verwacht op hoge snelheid een mening te hebben.”

En dat zag u als commissie niet aankomen?

„Als wetenschapper dacht ik over de inhoud: ‘daar gaat het over, dat zal het gesprek worden’. Ik betreur vooral dat de rol van de ambtelijke top bij het ministerie van Buitenlandse Zaken het meest onderbelicht is gebleven.

„We waren echter verrast door de snelheid waarmee het niet meer over de inhoud ging. Dat dit al dezélfde middag zou gebeuren, daarover ben ik ontsteld.”

Hoe kon dat volgens u eigenlijk gebeuren?

„Ik denk dat de medewerkers van Balkenende als een razende het rapport zijn gaan lezen. Er is voor gekozen direct te reageren.

„Daarin ben ik dan misschien iets te naïef, maar ik denk dat je het je als minister-president wel kunt permitteren om te reageren met: ‘we lezen het eerst, denken er even over na’. Maar dat werd kennelijk niet noodzakelijk gevonden. De snelheid waarmee op het rapport werd gereageerd, maakt een diepgaande kennisname ervan niet heel waarschijnlijk.”

Heeft u het gevoel inhoudelijk wel serieus te zijn genomen?

„Ik heb niet het idee dat dit niet zo is, en dan heb ik het met name over de vaste Kamercommissie voor Buitenlandse Zaken en de journalistiek. Maar wie van de andere Kamerleden het heeft gelezen? Niet iedereen, uiteraard.”

U heeft bedenkingen geuit over de reden waarom de oppositiepartijen tussen 2003 en 2007 op het onderzoek hebben aangedrongen.

„Was ik niet duidelijk genoeg? Diegenen die jarenlang zo hebben geijverd voor onderzoek, zijn daar uiteindelijk niet inhoudelijk mee omgegaan. Ik zou cynisch kunnen zeggen dat de pogingen een onderzoek te krijgen vooral zijn ingegeven door de wens het kabinet naar huis te kunnen sturen. Dat het ze minder om Irak zelf ging, meer om het politieke doel: het wegkrijgen van de regering.”

U zegt: we zijn gebruikt als pion?

„Dat zou zo zijn als wij ons dat hadden laten aandoen. Voor een karretje zijn we niet gespannen, want op de wijze van onderzoek doen heeft de politiek geen invloed gehad. De politiek is er pas mee weggelopen toen ons rapport gepubliceerd was.”

Misschien wel de belangrijkste aanbeveling die de commissie deed, was de aanstelling van een onafhankelijk volkenrechtelijk adviseur bij Buitenlandse Zaken. Dat is nog niet gebeurd. Minister Uri Rosenthal (Buitenlandse Zaken, VVD) zei half december in de Tweede Kamer dat „binnen drie maanden” te zullen doen en daarbij „een duidelijke taakomschrijving” op te stellen.

„Die toezegging is onder politieke druk tot stand gekomen”, zegt Schwegman nu, „want een Kamerlid stelde er vragen over en daarmee ontstaat druk. We moeten nog zien of het gaat gebeuren, maar over het voornemen ben ik in ieder geval verheugd.”

Andersom redeneren kan ook: ruim een jaar verder, nog geen directe plannen, naam of zelfs taakomschrijving.

„Hahaha. Ja, dat kan ook. Maar natuurlijk gaat het wel gebeuren.”

Echt? U weet nu goed hoe dat ministerie werkt...

„Tuurlijk! Het duurt misschien al heel lang, maar dat heeft ook te maken met het langdurige formatieproces van vorig jaar.”

Waarmee nog meer?

„Daarnaar kan ik alleen maar gissen. En dat ga ik niet doen.”