Haïti is stuk, de mensen zijn stuk

Een jaar na de aardbeving geldt Haïti nog als rampzone nummer één. Er zijn minder daklozen, zegt hulpcoördinator Jolanda van Dijk van de VN. Maar waar ze nu wonen? Chaos blijft.

Natuurrampen kiezen hun eigen moment. Media en hulporganisatie kiezen het tijdstip van herdenking. Na een maand, een kwartaal, een half, een heel jaar.

Een jaar na de grote aardbeving van 12 januari 2010 blijft Haïti tot de verbeelding spreken. Crisisgebieden verdwijnen vaak snel uit de aandacht, zeggen critici van de mondiale hulpkaravaan. Haïti is niet vergeten. Niet door media, niet door hulpverleners én niet door donoren, zegt Thea Hilhorst, bijzonder hoogleraar humanitaire hulp en wederopbouw aan de Wageningen Universiteit.

„Bijzonder was dat het een grote natuurramp was in een stedelijk gebied”, zegt Hilhorst. „En de symboliek van de aardbeving was heel sterk. Het presidentiële paleis, het parlement, het hoofdkwartier van de Verenigde Naties: alles was ingestort.”

Van de 2 miljard dollar (1,54 miljard euro) aan hulpgelden die internationale donoren voor 2010 hadden toegezegd, is 78 procent (1,57 miljard dollar) binnengekomen, volgens cijfers van OCHA, de noodhulporganisatie van de Verenigde Naties. Het is afwachten hoeveel er dit jaar nog komt, maar het is al „relatief veel”, vindt Hilhorst. Donoren zijn hun beloftes tot nu toe niet vergeten. „Het geld komt ongeveer even snel als na de tsunami in Zuidoost-Azië in 2004.”

Het aantal hulporganisaties in Haïti is nog altijd groot. En onoverzichtelijk. Sommigen schattingen lopen in de duizenden. OCHA-woordvoerder Elisabeth Byrs in Genève houdt het erop dat er een piek van duizend is geweest. „Nu werken de VN nog altijd samen met ongeveer dertig grote internationale nongouvernementele organisaties”.

Talrijke wereldverbeteraars zijn op eigen houtje komen helpen. Daarover zijn professionele hulpverleners sceptisch. Op een openluchtvergadering van de VN was gisteren een Amerikaanse homeopaat, vertelt Jolanda van Dijk, interclustercoördinator van OCHA aan de telefoon vanuit Port-au-Prince. „Hij had twee bedden neergezet en een behandelcentrum voor cholerapatiënten geopend. Homeopatisch.”

In vergelijking met de overstromingen in Pakistan, ook in 2010, kreeg de aardbeving in Haïti veel internationale aandacht. In Pakistan ging het volgens VN-cijfers om 1.500 doden en 20 miljoen getroffenen, in Haïti om 220.000 doden en 3 miljoen getroffenen. Maar de klap van de beving in Haïti kwam harder aan in de wereld en werd gevolgd door een rampverhaal met wezen, orkanen, cholera en chaotische presidentsverkiezingen die nog onbeslist zijn.

Wat volgens hoogleraar Hilhorst bij de media-aandacht ook meespeelt is het geld van de Nederlandse kijker. De hulpactie voor Pakistan kwam laat en bracht 17 miljoen euro op, voor Haïti gaf Nederland na de dure decembermaand 111 miljoen euro. „We voelen ons een beetje aandeelhouder van Haïti.”

Alle internationale hulp en aandacht laten ook zien hoe wankel staat, samenleving en infrastructuur zijn. De regering blijft zwak en corrupt, er liggen nog tonnen puin en de wederopbouw verloopt traag. Van Dijk: „Toch is er vooruitgang. Na de beving waren er naar schatting 1,5 miljoen daklozen. Nu zitten nog 800.000 mensen in tentenkampen. Dat is veel, maar blijkbaar heeft de helft op een of andere manier een huis gevonden.”

Ook dit jaar blijft Haïti nog de ramp van de grote getallen.