Dode componisten raken snel vergeten

De afgelopen tien jaar overleden veel grote avonturiers van de na-oorlogse muziek. Dirigent Ed Spanjaard leidt bij het Nieuw Ensemble een concert met hun sleutelwerken. „Dit zijn allemaal blijvers.”

„Zal ik de partituren er even bijhalen?”, vraagt dirigent Ed Spanjaard. Als het gaat over zijn relatie met de componisten van wie hij binnenkort werk dirigeert, wil hij het liefst iets laten zien. Hij komt terug met een stapel muziekboeken en begint voor te lezen:

„’O ja, het is heel goed’, zegt Ligeti bijna verontschuldigend na zijn opmerkingen over het eerste deel. Meestal over balans. Soms dat het romantischer moet, met meer vibrato. Over tempi en timing heeft hij géén opmerking.”

Het is één van de vele dagboekaantekeningen die Spanjaard (62) voorin zijn exemplaar van het Kammerkonzert (1970) van György Ligeti maakte, een indrukwekkende compositie vol driftige klankwolken en ritmische precisiemechanieken.

In mei 1992 repeteerde Spanjaard het Kammerkonzert met het Nieuw Ensemble in aanwezigheid van de componist zelf. Ligeti, berucht om zijn kritische oor, bemoeide zich intensief met de uitvoering. Spanjaard schreef alles wat hij zei minutieus op.

Nu, bijna negentien jaar later, staat het werk weer op de lessenaars. Spanjaard weet mede door zijn aantekeningen nog precies hoe Ligeti het wilde hebben. Gelukkig maar, want de componist kan het hem niet meer influisteren: hij overleed in 2006.

Ligeti (geboren in 1923) was niet de enige grote twintigste-eeuwse componist die het afgelopen decennium overleed. Enkele anderen waren Franco Donatoni (1927-2000), Iannis Xenakis (1922-2001), Luciano Berio (1925-2003), Karlheinz Stockhausen (1928-2007) en Mauricio Kagel (1931-2008). Hun werk klinkt volgende week in het programma Niets dan goeds van het Nieuw Ensemble. Als laatsten der Mohikanen zijn onder meer Elliott Carter (102) en Pierre Boulez (85) nog in leven, maar het is duidelijk dat een belangwekkend tijdperk in de muziekgeschiedenis geleidelijk definitief wordt afgesloten.

Als een componist overlijdt, kan het snel gedaan zijn met de uitvoering van zijn werk. „De mode is meedogenloos”, zegt Ed Spanjaard. „Peter Schat bijvoorbeeld wordt al vrijwel niet meer gespeeld – en die is nog geen acht jaar dood. Dat is heftig, eigenlijk. Ik zou graag zijn Houdini Symfonie weer eens horen, dat vind ik zijn mooiste stuk.”

Over de componisten die het Nieuw Ensemble nu speelt, maakt Spanjaard zich minder zorgen. Ze zijn onderdeel van de internationale canon van twintigste-eeuwse muziek. Hun grensverleggende werk is nadrukkelijk naoorlogs: velen meenden na de ontsporing van de Europese cultuur met een schone lei te moeten beginnen. Het duidelijkst is dat straks te horen in Stockhausens Kontrapunkte (1952-53), met een volledig uitgeklede klank en een door en door systematische opbouw, gespeend van romantische expressie.

„Ik denk echt dat deze muziek ook in de toekomst nog gespeeld zal worden. Het zijn volgens mij allemaal blijvers”, zegt Spanjaard. Misschien juist ook omdat hij de componisten sterk individueel onderscheidt. „Het zijn buitengewoon uiteenlopende persoonlijkheden. Het bestaat gewoon niet dat je Donatoni hoort, en denkt: het lijkt wel Stockhausen. En het is uitgesloten dat je van Xenakis denkt dat het Ligeti is. Dat hebben ze allemaal. Ligeti vind ik een schoolvoorbeeld: die verzint een volslagen eigen klankwereld, en weet het zo te noteren dat het ook nog eens zeer uitvoerbaar is. Of Xenakis: je voelt meteen: ‘ja, dít is wat hij wil’. Als hij bijvoorbeeld een hoorn en een fagot, die aan weerszijden van een halve cirkel zitten, bijna dezelfde hoge noot laat spelen. Hij geeft heel precies aan hoe dat minuscule toonhoogteverschil moet variëren. Het is extreem en tegelijkertijd fascinerend – zulke vondsten betekenen echt iets.”

De componist met wie het Nieuw Ensemble het meest samenwerkte was de Italiaan Franco Donatoni. In een toelichting bij het concert schrijft Joël Bons, artistiek leider van het ensemble, hoe hij bij zijn eerste kennismaking in 1981 geraakt werd door „de inventiviteit, het optimisme, de kleurrijkheid, de gein en het sprankelend superieure technisch vernuft” van Donatoni’s muziek. Na „jaren van zeuren aan ’s maestro’s kop” schreef die in 1986 zijn eerste stuk voor het ensemble, waarna meer dan twintig van zijn werken op het repertoire belandden, en zelfs een Donatoni-cd volgde.

Ook van deze componist heeft Spanjaard bij repetities allerlei opmerkingen in zijn partituur geschreven („als een ondergrondse wortel die vocht opzoekt”, leest hij met enige vertwijfeling voor). Toch was Donatoni volgens hem eerder een componist die vond dat hij klaar was zodra de compositie was opgeschreven – anderen moesten de muziek daarna vooral naar eigen inzicht uitvoeren.

„Dat heb ik ook het liefst”, zegt Spanjaard. „Dat de componist een uitvoerder toevertrouwt te kunnen interpreteren wat hij heeft opgeschreven. Die interpretatie vergt natuurlijk creativiteit, want je kunt niet alles noteren. Maar een goede partituur daagt je uit om de klank te zoeken die de componist in gedachten had.”

Nieuw Ensemble o.l.v. Ed Spanjaard. ‘Niets dan goeds’, met werken van Donatoni, Xenakis, Berio, Ligeti, Stockhausen en Kagel. 19 januari Arnhem, 20 januari Amsterdam, 21 januari Enschede. Inl: nieuw-ensemble.nl