Congresleden schoten elkaar vroeger gewoon dood

Sarah Palin heeft gelijk met haar bewering dat het politiek debat vroeger nog veel heftiger was. We moeten dan wel 150 jaar terug in de tijd, weet Newsweek. Toen was het voor congresleden niet ongebruikelijk om elkaar voor een pistoolduel uit te dagen.

In 1831 troffen het Democratisch congreslid Spencer Pettis en oorlogsheld Thomas Biddle elkaar in een shoot out setting die we kennen uit cowboyfilms. Ze waren aan elkaar gewaagd, beiden overleden aan hun verwondingen.

Zeven jaar later daagde het Republikeinse congreslid William Graves de Democraat Jonathan Cilley uit om een politiek meningsverschil te beslechten. Graves won, Cilley stierf. Het laatste duel vond in 1859 plaats tussen opperrechter David Terry en de Democratische senator David Broderick. Terry mocht na de tos (het opgooien van een munt) het beste wapen uitzoeken en bezorgde Broderick een wond waaraan hij drie dagen later overleed.

Zes van de twaalfduizend vermoord

Nu, in januari 2011, besluiten de Republikeinse congresleden Jason Chaffetz en Heath Shuler voortaan ook maar met een pistool over te straat gaan. “Je denkt dat zoiets nooit zal gebeuren, maar het gebeurt”, zei Shuler tegen de website Politico in reactie op de schietpartij in Tucson, Arizona waarbij congreslid Gabrielle Giffords zwaar gewond raakte.

Statistisch gezien hebben Chaffetz en Shuler overigens weinig te vrezen. Sinds 1789 zijn er van de ongeveer twaalf duizend congresleden die Amerika heeft gehad zes vermoord (de duels uitgesloten). De Democraten Robert F. Kennedy (1968) en Huey Long (1935) zijn daarvan de bekendste.

De meest recente is echter de moord op de Republikein Leo Ryan in 1978 in Guyana. En het eerste congreslid dat geliquideerd werd was de Republikein James Hinds (1868). De dader: een lid van de Ku Klux Klan. Datzelfde jaar werd ook zijn collega Cornelius Hamilton vermoord, door een geesteszieke zoon. In 1905 werd de Republikein John Pinckney omgebracht.

Presidenten lopen nog altijd het meeste gevaar: vier van de 43 zijn vermoord. Abraham Lincoln (1865), James A. Garfield (1881), William McKinley (1901) en John F. Kennedy (1963).

Het grootste gevaar schuilt echter in de gemoedstoestand van de congresleden. Elf pleegden zelfmoord. De kans dat een wetgever de hand aan zichzelf slaat is daarmee tien keer groter dan het landelijk gemiddelde.