Als een wet een wet is, mogen we dan nog denken?

Elke woensdag een filosofisch dilemma naar aanleiding van de actualiteit.

Mag de uitvoerende macht alleen uitvoeren of ook het gezond verstand gebruiken?

Jaren geleden verbleef ik met mijn toenmalige vriendin en haar familie een week in een huisje in Zuid-Frankrijk. Het was nog vroeg in het voorjaar en veel warmer dan de eigenaar van het huisje blijkbaar had verwacht, want het zwembad stond nog leeg.

We hadden geen toegang tot de hoofdkraan waarmee het bad gevuld kon worden en dus waren we aangewezen op een provisorische constructie van een tuinslang die via een raam het kraantje van de wc verbond met de diepe bak van het zwembad. Het zou ruim twee dagen duren voor het bad helemaal gevuld was, maar in de tussentijd vermaakten we ons prima. We spanden een koord over het bad en met onze enkels in het water speelden we partijtjes volleybal totdat het water te hoog kwam.

Gedwongen door de gestage verandering van het speelveld, verzonnen we voortdurend nieuwe regels om een spel mogelijk te maken. Dit verzinnen van regels tijdens het spel werd gaandeweg zelf een onderdeel van het spel, alleen dat wist de vader van mijn vriendin niet. Toen hij zich op dag twee in het koude water liet zakken ontstond er al snel mot over de regels. In zijn ogen speelden we vals. Nog geen half uur later klom hij boos weer op de kant.

Het interpreteren van regels en spelregels is natuurlijk altijd goed voor verhitte discussies, programma’s als Stand.nl en Studio Voetbal ontlenen daaraan hun bestaansrecht, maar als de regels tussentijds veranderen kunnen mensen daar behoorlijk van in de war raken. Zo bleek ook vorige week weer na de hypothetische opmerkingen van de Amsterdamse korpschef Bernard Welten over het niet blindelings na willen leven van een mogelijk boerkaverbod. „Ik voel me niet altijd een instrument van de overheid die onmiddellijk doet wat hem gevraagd wordt, ik gebruik nog steeds mijn gezond verstand voordat ik een stap maak.” De coalitiepartijen die het voornemen van zo’n verbod in hun regeerakkoord hebben opgenomen stonden onmiddellijk op hun achterste benen en Geert Wilders twitterde klare taal: „Amsterdamse korpschef Welten moet wetten uitvoeren – dus ook het komende boerkaverbod – of zijn biezen pakken, vrijwillig of onvrijwillig!”

Het lijkt eenvoudig: de parlementariër Wilders bedenkt wetten, als onderdeel van de wetgevende macht en de politieman Welten moet ze uitvoeren, als onderdeel van de uitvoerende macht. Maar hoe voer je een wet eigenlijk uit? Welten zei in het televisie-interview waarin hij de gewraakte opmerkingen maakte, dat hij dacht dat als er al een verbod op gelaatsbedekkende kleding zou komen, dat de politie die enkele boerkadragende vrouw hooguit zou aanspreken maar niet meteen zou arresteren. Voert Welten hiermee de wet niet uit? Wat kan een wet eigenlijk zelf zeggen over haar eigen uitvoering? Wat zou er in deze hypothetische wet kunnen staan? Dat deze vrouw in deze situatie op die en die dag, met precies deze boerka, daar en daar zo aangehouden zou moeten worden? Nee, zo concreet kan een wet niet zijn.

Een wet, willen we er wat aan hebben, moet een algemeen karakter hebben. Anders zou er voor ieder afzonderlijke gebeurtenis een wet moeten zijn. Het spreekt vanzelf dat dat een onbestaanbare situatie is. Aristoteles (384-322 v.Chr.) wees in dit verband al op de altijd aanwezige en noodzakelijke spanning tussen de algemene wet en de concrete uitvoering ervan. En vanwege deze spanning, schreef hij, vraagt iedere uitvoering van de wet om een zekere billijkheid.

„Gezond verstand”, zou Welten zeggen, of in een meer juridische formulering: „Discretionaire bevoegdheid.” Deze bevoegdheid noemde ook Han Busker, die namens de Nederlandse Politiebond een paar dagen na de televisieuitzending het Radio 1-Journaal te woord stond. Dat er bij de politie vooral instemming was voor Weltens uitspraken, verklaarde Busker met dit begrip: „Dat betekent dat politieagenten de ruimte hebben in een aantal situaties, om zelf datgene te doen wat het beste lijkt om op dat moment de veiligheid te waarborgen.” En om ook de Nederlandse onderbuik gerust te stellen, vergeleek Busker deze aanpak slim met de naleving van de wet op de snelheidsbepaling, waarbij je niet iedere auto die vijf kilometer per uur te hard rijdt op de bon slingert. Je moet ook altijd „nog wat ruimte nemen om te kijken hoe je de veiligheid het beste waarborgt”. En tussen wet en werkelijkheid bestaat hiervoor dus ook de ruimte. Het kan zelfs niet anders.

„De wet is altijd gebrekkig”, schrijft de Duitse filosoof Hans Georg Gadamer (1900-2002) in Wahrheit und Methode, „niet omdat er iets aan de wet mankeert, maar omdat in vergelijking met de orde die de wet voor ogen heeft, de menselijke werkelijkheid noodzakelijk onvolkomen is en daarom geen eenvoudige toepassing van de wet toestaat.” Dat kunnen we vervelend vinden, maar volgens Gadamer speelt dit inherente gebrek juist een cruciale rol in het mogelijk maken van rechtspraak. Met de billijkheid van Aristoteles als vertrekpunt laat hij zien dat de wet nooit alleen slaafs (als eenvoudig „instrument van de overheid”) wordt uitgevoerd, maar dat deze pas haar betekenis krijgt in de weloverwogen toepassing ervan. Dat is niet alleen omdat de algemene formulering van de wet concreet moet worden toegepast, maar ook omdat de wet in feite altijd gedateerd is; gemaakt in het verleden met het oog op toekomstig onrecht. De interpretatieruimte die de wet naar haar aard heeft, maakt het mogelijk deze gedateerdheid te overkomen.

En zo verandert iedere concrete uitspraak en zelfs iedere uitvoering van de wet, de algemene betekenis van de wet. Net als het langzaam vollopende zwembad in Zuid-Frankrijk, is ook het maatschappelijk speelveld aan voortdurende verandering onderhevig. Zonder tussentijds de regels opnieuw te interpreteren zou een wetboek alleen nog letters bevatten, maar geen geest.

Dit voortdurend met gezond verstand duiden en becommentariëren van de wet door de uitvoerende macht van politie, advocaat en rechter is een onmisbaar onderdeel van de rechtspraak, benadrukt Gadamer: „De opgave van de concretisering is niet alleen maar een kwestie van paragraafkennis.”

Vrouwe Justitia is alleen geblinddoekt omdat ze zonder aanzien des persoons recht moet spreken, maar niet omdat ze blind wetten moet uitvoeren die de wetgevende macht haar dicteert. Dat is ook de reden waarom een rechter een beklaagde die zich beroept op zijn zwijgrecht, mag vragen naar de motivatie van de beklaagde. Wie alleen de letter van de wet volgt zou zeggen: zwijgrecht is zwijgrecht. Maar als de rechter meent dat het zwijgrecht de concrete zaak in de weg staat, mag hij – en is het in zekere zin zelfs zijn billijke plicht – de beklaagde hiernaar te vragen.

Het ongeduldige aansturen van de uitvoerende macht door de twitterende wetgever Wilders gaf al blijk van diens al te letterlijke lezing van de wet, maar op 4 oktober 2010 meent hij zelfs dat de rechterlijke macht zijn gezond verstand voor zich moet houden. „Ik dacht op zijn minst recht te hebben op een eerlijk proces”, verklaarde hij voor de Amsterdamse rechtbank. „Ik dacht ook dat bij een eerlijk proces een zwijgrecht hoort. En ik heb dat zwijgrecht direct middels mijn advocaat en middels een mondelinge verklaring die ik heb gehouden ingeroepen. En ik vind het dan ook ongepast, en onbehoorlijk, ja ik vind het zelfs schandelijk dat de voorzitter van de rechtbank dit duidt en dit becommentarieert.”

Een rechter is door het becommentariëren en duiden van de rechtsgang niet partijdig, maar juist plichtsgetrouw.

Coen Simon is schrijver en filosoof. In maart verschijnt bij uitgeverij Ambo zijn nieuwste boek En toen wisten we alles. Een pleidooi voor oppervlakkigheid. www.coensimon.nl