Zelfs Playboy zonder bloot is onzedelijk

De ‘netste Playboy ter wereld’ werd het slachtoffer van religieuze intolerantie.

Hoofdredacteur Arnada moet twee jaar de cel in wegens ‘onzedelijkheid’.

Tijdens het bezoekuur voelt Erwin Arnada zich even veilig. De oud-hoofdredacteur van de Indonesische Playboy ontvangt visite op een terras in de Cipinang gevangenis, waar hij drie maanden vastzit. Straks moet hij weer zijn cel in, tussen moordenaars, verkrachters en drugsverslaafden. „Het is een jungle”, zegt hij zachtjes. Op zijn arm heeft hij een kabbala-tatoeage, om zijn nek hangt een boeddhabeeld. Op zijn zelfontworpen t-shirt staat: ‘Journalistiek is geen misdaad.’ „Je moet jezelf beschermen, hoe dan ook.”

Thuis op Bali bereidde de ‘multireligieuze’ Arnada zich in augustus voor op de ramadan, toen vrienden hem belden met het slechte nieuws. De fundamentalistische knokploeg Front ter Verdediging van de Islam (FPI) had een één jaar oude uitspraak van het Hooggerechtshof tevoorschijn getoverd, waar niemand tot dan toe van wist. Arnada bleek voor zijn werk als hoofdredacteur veroordeeld tot twee jaar cel wegens ‘onzedelijkheid’. Niet wéér, dacht Arnada. „Dezelfde vijand, dezelfde bullshit”.

Arnada is een van de slachtoffers van de groeiende intolerantie in Indonesië. Fundamentalistische moslims winnen aan invloed, waardoor er steeds minder ruimte is voor liberale moslims en religieuze minderheden. Zo is het aantal aanvallen op kerken en andere incidenten van ‘religieuze intolerantie’ dit jaar met 30 tot 50 procent gestegen, volgens twee recente rapporten. De daders zijn meestal religieuze knokploegen, zoals de fundamentalistische FPI.

Al sinds hij in 2006 begon met de ‘netste Playboy ter wereld’, knokt Arnada met de FPI. Juist vanwege de conservatieve Indonesische cultuur wilde hij de enige Playboy zonder bloot maken, vertelt hij, een concept waarvan hij toenmalige Playboy-baas Christie Hefner slechts met moeite kon overtuigen. Het resultaat was een blad met serieuze artikelen en foto’s van het type lingeriereclame. Maar de FPI greep Playboy aan als Amerikaans symbool van moreel verderf en ging in de aanval. „Het zwaarst was toen ze mijn kantoor in brand staken en een van mijn werknemers in elkaar sloegen”, herinnert Arnada zich.

Na twee nummers kon het blad door alle bedreigingen niet meer uitkomen. De FPI gaf Arnada aan bij de politie. „Alle dertien keer dat ik moest voorkomen, stonden bij de rechtszaal 500 FPI’ers te schreeuwen. Allah Akbar, Erwin is een pion van Amerika, dood aan Erwin!”.

Na de mysterieuze uitspraak vier jaar later, eiste de FPI dat Arnada werd opgepakt. Anders zouden hun eigen ‘soldaten’ het doen, dreigde de organisatie. Het werkte: toen hij zichzelf besloot aan te geven, rekende de politie hem met groot machtsvertoon in. „Ze sleepten me mee. Ik werd behandeld als een terrorist.” De eerste drie dagen in Cipinang waren „de moeilijkste uit mijn leven”.Nu vult hij zijn tijd met badmintonnen, batikken en zaalvoetbal.

Naast de zaak van Arnada zijn er talrijke andere voorbeelden. Gewelddadige protesten tegen de bouw van nieuwe kerken, waarbij in september een voorganger werd neergestoken. En zanger Nazril Irham staat terecht omdat hij figureerde in een seksvideo; onder de nieuwe antipornografiewet riskeert hij twaalf jaar cel.

Het patroon is vaak hetzelfde. Radicale knokploegen signaleren ‘moreel verval’ of ‘blasfemie’ en dwingen de autoriteiten in actie te komen. Als die dat nalaten, gaan ze over tot geweld. Ze worden zelden opgepakt.

De nieuwe politiechef Timur Pradopo ging in augustus naar de twaalfde verjaardag van de FPI en suggereerde dat de groep kan helpen bij de wetshandhaving. De fundamentalisten hebben ook medestanders in het kabinet. Daarnaast vaardigen gouverneurs en regenten sinds dit jaar weer meer lokale wetten uit die gebaseerd zijn op de sharia. Zij bepalen bijvoorbeeld dat vrouwen ’s nachts niet over straat mogen, dat ambtenaren de koran moeten kunnen reciteren, of dat ongetrouwde stellen arrestatie riskeren als ze samen worden aangetroffen. Hoewel de wetten lang niet altijd worden nageleefd, voelen agressieve fundamentalisten zich erdoor gesterkt. Ze winnen niet zozeer terrein doordat men hen steunt, maar doordat niemand hen tegenhoudt.

Politieke leiders durven dit gevoelige onderwerp niet aan te pakken. Wie het wel doet, wordt gebrandmerkt als anti-islam. „Zodra religie zich mengt met politiek, wordt iedereen bang”, zegt Erwin Arnada. „De stille meerderheid durft niet op te staan.” Sympathisanten sms’en hem dat hij maar geduldig moet zijn. „Maar ik ben al vier jaar geduldig.”