Wat nu, kleine man?

Rond de jaarwisseling zag ik in München de toneelbewerking van de Belgische regisseur Luk Perceval van de bekende roman Kleiner Mann was nun? Hans Fallada schreef het boek in 1932. Het is een nogal sentimenteel verhaal over de gevolgen van de economische krach in het dagelijks leven van brave, lijdzame mensen, die alleen maar een beetje persoonlijk geluk willen, maar tussen de wielen komen als gevolg van de om zich heen grijpende werkloosheid.

Het pseudoniem ‘Fallada’ is ontleend aan De ganzenhoedster, een sprookje van Grimm over een paard dat de waarheid blijft spreken, ook nadat het is vermoord. Bertolt Brecht schreef een beroemd gedicht over dat paard (O Falladah, die du hangest), met een aanklacht tegen door economische nood veroorzaakte haat tussen mensen en het gebrek aan solidariteit.

Fallada’s Wat nu, kleine man? was indertijd ook in Nederland populair – in de vertaling van Nico Rost. De titel werd een metafoor voor de machteloosheid van het individu tegenover de anonieme krachten van het kapitalisme, die bestaansonzekerheid en angst voor de toekomst teweegbrengen. De kredietcrisis van 2008, met de gevolgen waarvan we nog dagelijks worden geconfronteerd, riep meteen de vergelijking op met de traumatische ervaringen van de jaren dertig. Vandaar de hernieuwde belangstelling voor het werk van Fallada; ook zijn roman over het verzet van gewone kleine burgers in Hitler-Duitsland, Jeder stirbt für sich allein, staat weer volop in de belangstelling.

De parallellen tussen de economische en politieke crisis van de jaren dertig en de toestand nu zijn sterk genoeg om in Duitsland volle zalen te trekken voor de vier uur durende voorstelling van de Müncher Kammerspiele. Bij Fallada gaat het over de angsten van ‘gewone mensen’ om buiten hun schuld alles te verliezen – levensgeluk, zelfrespect, toekomstperspectief. Regisseur Perceval ziet de actualiteit van Fallada in de vertwijfeling van de personages: „Wat te doen? Wat kan men doen om de wereld te redden? Welke tegenontwerpen zijn er?”

Het enige ‘tegenontwerp’ waarin hij gelooft, is dat wat hoofdpersoon Pinneberg gelooft, namelijk dat men op een strikt individuele manier probeert in zijn eigen omgeving een klimaat te creëren dat kan dienen als een soort alternatief, met waarden als menselijkheid, solidariteit en medelijden. Die waarden hebben alleen in de meest intieme en kleine kring die iemand om zich heen kan creëren nog enige kans, vreest hij. De enige rijkdom van de kleine man van Fallada is het geloof in de echtelijke liefde.

De ‘kleine man’ – „met z’n confectiepakkie an”, zong Louis Davids in de jaren dertig – behoort tot de sociale laag van beambten, kantoor- en winkelpersoneel, die zich net ietsje verheven voelde boven het proletariaat, maar even hard werd vermorzeld door een systeem waarin mensen waren gereduceerd tot wegwerpartikelen. Dat is tot op zekere hoogte een overeenkomst met nu: ook in de kredietcrisis bleek dat ‘gewone’ mensen pardoes het slachtoffer worden van een spel op de kapitaalmarkten, waar een handvol profiteurs monstrueuze risico’s neemt op rekening van het algemeen belang.

De vergelijking gaat gelukkig niet helemaal op. Een belangrijk verschil, in dit deel van de wereld althans, tussen het heden en de jaren dertig is dat er tegenwoordig een beter sociaal vangnet bestaat. Wie al te lichtzinnig praat over „liberalisering” en „hervorming van de arbeidsmarkt” roept traumatische herinneringen wakker aan de jaren dertig. Het is daarom nogal aanmatigend van GroenLinks om in dit verband de PvdA en de SP conservatisme te verwijten en van de PvdA te eisen afstand te nemen van de vakbeweging. Het „behoud van verworven rechten” is niet per definitie conservatief.

In de toneelbewerking van Kleiner Mann was nun? trekt regisseur Perceval de parallellen soms te ver door. In zijn visie is de roman van Fallada zelfs „griezelig visionair”. Aan het slot komt een beschrijving voor van langsrijdende treinen, waarvan in de toneelvoorstelling beelden worden geprojecteerd. Zo krijg je als toeschouwer de associatie opgedrongen met de Tweede Wereldoorlog en de deportaties, iets waarvoor de tekst geen enkele grond biedt. Dit is een terugkerend probleem met historische vergelijkingen. Bestaat er een causaal verband tussen economische crisis en oorlog? Waarschijnlijk wel, maar is dat dan ook een noodzakelijk causaal verband? Die veronderstelling gaat te ver. We hebben het per slot van rekening niet over natuurwetten.

Wat voor het heden daarentegen wel degelijk opgaat, zijn Fallada’s verwijzingen naar de gevaren van het nationaal-socialisme, de haatzaaierij en xenofobie in het Duitsland van 1932. Het verband tussen angst voor het wegvallen van de bodem onder het materiële bestaan en de opkomst van het nationaal-socialisme was en is evident. Het is die angst die leidt tot polarisatie en verkilling van de sociale verhoudingen, een verkilling ook in de harten van mensen. In het gedicht van Brecht vraagt het paard Falladah: „Wat voor koude moet over de mensen gekomen zijn? Help hen toch! Anders overkomt jullie iets, wat jullie niet voor mogelijk houden!”

Dat was pas visionair.